6.3.Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft samen met medeverdachte [medeverdachte] het plan gemaakt om snel aan geld te komen door iemand bij een pinautomaat te beroven. In de avond van 16 december 2019 hebben zij – donker gekleed, met bedekte gezichten en ieder een mes in de hand – gewacht in een steegje met zicht op de pinautomaat tot er een geschikt slachtoffer zou gaan pinnen.
Toen er na lang wachten een man bij de pinautomaat kwam, zijn beide verdachten op hem afgerend. Alhoewel zij van tevoren de intentie hadden om geen gewonden te laten vallen, zijn zij met ieder een mes in de hand afgerend op het slachtoffer, [slachtoffer] . In tegenstelling tot wat zij hadden verwacht, is het slachtoffer niet weggerend, maar heeft hij [medeverdachte] vastgepakt. [medeverdachte] heeft vervolgens als eerste met het mes een stekende beweging naar [slachtoffer] gemaakt, waarop verdachte hem met gestrekt been onderuit heeft geschopt. Terwijl [medeverdachte] , zoals tevoren was afgesproken, probeerde de pintransactie af te maken die door het slachtoffer was gestart, hield verdachte [slachtoffer] al worstelend op de grond. Tijdens de worsteling heeft verdachte de hele tijd zijn mes in zijn hand gehad, en een stekende beweging gemaakt naar [slachtoffer] . Terwijl de worsteling plaatsvond, waarbij [slachtoffer] zich hevig verweerde en verdachte op enig moment onder controle leek te krijgen, is [medeverdachte] tamelijk onverstoorbaar doorgegaan met het pinnen van het geld, € 100. [medeverdachte] heeft op een iets later moment ook nog de tijdens de worsteling op de grond gevallen portemonnee van [slachtoffer] gepakt, terwijl ook hij steeds het mes in zijn hand heeft gehouden. Tussendoor is hij verdachte tot twee keer toe te hulp geschoten bij het in bedwang houden van het slachtoffer, door terug te keren naar de plek van de worsteling, en een stekende beweging naar de linkerzijde van het lichaam van het slachtoffer te maken. Om te kunnen vluchten, heeft verdachte [slachtoffer] met beide benen in het gezicht geschopt. Uiteindelijk is [slachtoffer] in elkaar gezakt. [slachtoffer] , die bloedverdunners gebruikte, heeft bij de beroving vier steekwonden opgelopen, waarvan twee hem fataal zijn geworden en waarvan één zijn overlijden kan hebben versneld. Reanimatie heeft niet mogen baten.
Op de camerabeelden is te zien dat verdachte [slachtoffer] twee keer schopt en tijdens de worsteling een stekende beweging naar de linkerzijde van het lichaam van [slachtoffer] maakt. Verdachte heeft aanvankelijk ontkend te hebben geschopt en gestoken, maar na het zien van de beelden heeft hij toegegeven te hebben geschopt, en zich niet te herinneren of hij het slachtoffer heeft gestoken. [medeverdachte] heeft het slachtoffer volgens hem één keer gestoken, in de rug of de zij, zo heeft hij bij de politie verklaard.
De steekletsels zijn alle aan de linkerzijde van het lichaam van [slachtoffer] toegebracht. Alhoewel daardoor niet duidelijk is geworden wie van beiden welke verwonding heeft toegebracht, houdt de rechtbank beide verdachten in gelijke mate verantwoordelijk voor de dood van het slachtoffer. Door met ieder een mes in de hand de confrontatie met het slachtoffer aan te gaan, waarbij [medeverdachte] meer stekende bewegingen dan verdachte lijkt te hebben gemaakt, maar ook verdachte tijdens de continue, heftige worsteling steeds het mes in zijn hand heeft gehouden, hebben zij ieder het enorme risico genomen het slachtoffer daarbij (ernstig) te verwonden, wat ook daadwerkelijk is gebeurd.
Verder hebben de verdachten elkaar aangewezen als degene die het initiatief tot de beroving heeft genomen. De vraag is of dit van belang is voor de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen straf en/of maatregel. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.
Verdachten zijn nadat zij het plan hadden opgevat, immers verder gegaan met de voorbereiding en uitvoering daarvan. Zij zijn daarbij heel berekenend te werk gegaan om de kans op ontdekking en herkenning zo klein mogelijk te maken. Zij hebben naar vermommende kleding gezocht, ook voor elkaar, hebben overlegd over het meenemen van messen, over het thuis laten van hun telefoons en over de rolverdeling, zij hebben samen de omgeving verkend en hebben, zo’n anderhalf uur wachtend in de steeg, met zicht op de pinautomaat, overlegd over een in hun ogen geschikt slachtoffer. Na afloop hebben zij het geld verdeeld. Verdachten hebben verder op verschillende momenten de gelegenheid gehad het plan af te blazen, maar hebben doorgezet – wellicht door hun persoonlijkheid, maar ook door hun focus snel en gemakkelijk geld te willen verkrijgen. Ook dit rekent de rechtbank beiden zwaar aan. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat één van beiden, wie dit dan ook is geweest, niet naar waarheid heeft willen vertellen wie de initiator voor het plan tot de beroving is geweest en daarmee geen verantwoordelijkheid heeft genomen.
Dat, zoals door de raadsvrouw is betoogd en door de officieren van justitie verworpen, verdachte moet worden gezien als de meeloper en de ondergeschikte en [medeverdachte] als het brein, de initiator en degene die de leiding nam, volgt de rechtbank dan ook niet.
Dit zeer schokkende feit met onomkeerbare en zeer vergaande gevolgen voor de nabestaanden, is gepleegd pal voor de ogen van de echtgenote van [slachtoffer] . Ook de zoon die later ter plaatse is gekomen, is geconfronteerd met de gevolgen: hij trof zijn vader levenloos, met diverse steekwonden en in confronterende omstandigheden op straat aan. Door de keuzes en het handelen van de verdachten is het slachtoffer het leven ontnomen en moet zijn echtgenote zonder haar levensgezel verder. De mooie plannen die zij samen hadden gemaakt met het oog op zijn pensionering twee weken later, kunnen door dit misdrijf niet meer gerealiseerd worden. Bovendien kan de echtgenote door haar ziekte voortaan veel van hun gebruikelijke gezamenlijke activiteiten, zoals het oppassen op hun kleinzoon en het zorgen voor de hond, niet meer doen. Daardoor komt het wegvallen van haar partner nog eens extra hard aan. Ook de zonen, kleinzoon en verdere familie en vrienden van het slachtoffer zullen hun (groot)vader en vriend voortaan moeten missen. Zoals de nabestaanden het ter terechtzitting hebben verwoord: op alle moeilijke, mooie en belangrijke momenten zullen zij dit gemis telkens opnieuw voelen.
Verder zijn omstanders getuige geweest van het incident, en daarna van de verwondingen van het slachtoffer en de ontreddering en machteloosheid van zijn echtgenote en zijn intussen ter plaatse gekomen zoon. Veel mensen in [plaats] en omgeving zijn erg geschokt door deze beroving. Berichten in de media over dergelijke feiten maken dat mensen zich niet meer veilig voelen op straat of wanneer zij iets alledaags doen, zoals pinnen.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 mei 2020 op naam van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
- Het rapport naar aanleiding van triple onderzoek pro justitia van 4 juni 2020 van [kinder- en jeugdpsychiater] , kinder- en jeugdpsychiater, [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog en [forensisch milieuonderzoeker] , forensisch milieuonderzoeker, houdt onder meer, zakelijk weergegeven, in dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de vorm van een autismespectrumstoornis. Hiermee samenhangend vertoont verdachte een gestoorde sociale en emotionele ontwikkeling met gebrekkige wederkerigheid en empathie in het contact. Tevens was sprake van een ongespecificeerde cannabisgerelateerde stoornis. Van de ziekelijke stoornis van de geestvermogens was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde feit en deze beïnvloedde op dat moment de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte.
Verdachte is weliswaar in staat in te zien dat hij strafrechtelijk ontoelaatbaar heeft gehandeld, maar kan zijn wil niet voldoende volgens dat besef bepalen, vanwege verschillende factoren die samenhangen met de ziekelijke stoornis. Zo heeft hij een sterke neiging om vanuit zijn eigen perspectief te redeneren, is sprake van een gebrek aan empathie, beperkt begrip en inzicht in sociale situaties en kan hij de gevolgen van zijn handelen niet overzien. Daarnaast wil hij erbij horen en is sprake van angst voor afwijzing. De pathologie heeft zich versterkt in het contact met de medeverdachte. Alleen had verdachte het mogelijk niet gedaan; de invloed van de medeverdachte was hierin van groot belang.
De rechtbank wordt daarom geadviseerd verdachte het hem ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen. Omdat verdachte heel goed weet dat hij fout heeft gehandeld, is er geen grote mate van vermindering.
De kans op recidivegedrag wordt bij onveranderde omstandigheden als matig verhoogd ingeschat. De risicofactoren voor recidive zijn matig verhoogd aanwezig, zoals de onderliggende psychiatrische stoornis, met alle sociaal-emotionele beperkingen van dien, en een gebrekkig empathisch wederkerig vermogen.
Naar verwachting zal de verdere ontwikkeling van verdachte niet gunstig verlopen wanneer de omstandigheden niet veranderen en hij geen jeugdpsychiatrisch behandel- en begeleidingstraject volgt. Hij is op zijn eigen manier beïnvloedbaar. Ambulante behandeling is op dit moment nog te risicovol. Verdachte moet nog veel leren in interactie. Tevens moet hij meer inzicht verkrijgen in zijn eigen sociaal-emotionele ontwikkeling en stoornis. Ouderbegeleiding van moeder in samenhang met de ASS-problematiek is hierin van belang. Verdachte zou zich daarom, om te beginnen, verder moeten ontwikkelen in het kader van een forensisch klinische behandeling gericht op ASS en antisociale gedragsproblematiek. Zijn drugsgebruik kan hierin tevens worden betrokken. Een forensische jeugdpsychiatrische behandelomgeving is geïndiceerd, zoals dit mogelijk is binnen De Catamaran. Aanvullend kan de behandeling in de eigen omgeving worden voortgezet binnen een jeugdforensische polikliniek als De Waag.
Geadviseerd wordt een voorwaardelijke PIJ-maatregel, met jeugdforensische klinische behandeling op te leggen. De meeste criteria van de PIJ-wegingslijst wijzen ook in die richting. Bij verdachte is wellicht niet een ernstige gedragsstoornis aan de orde, maar hij was op weg naar een antisociale identificatie. Hierdoor is onbehandeld sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Van een voorwaardelijke PIJ-maatregel kan een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachtes ontwikkeling worden verwacht. Het behandeltraject kan gedurende het verblijf in de JJI al worden gestart. Verder wordt een maximaal dwingend kader geadviseerd om verdachte voor langere tijd optimaal te kunnen motiveren voor begeleiding en behandeling.
Het is de rechtbank niet gebleken dat voornoemde rapportage onzorgvuldig tot stand is gekomen, zoals door de verdediging is gesteld. Ter terechtzitting is door de deskundigen voldoende helder en consistent uitgelegd waarom bij het onderzoek is afgeweken van (onderdelen van) de (niet dwingend voorgeschreven) richtlijn van het NIFP voor het vaststellen van een autismespectrumstoornis. Ook is in de rapportage het systeem van verdachte (‘de hetero-anamnese’) voldoende duidelijk in kaart gebracht. Met de officieren van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat van voldoende deskundigheid van de onderzoekers en daarmee van hun rapportage kan worden uitgegaan.
Ter terechtzitting hebben de deskundigen [kinder- en jeugdpsychiater] en [GZ-psycholoog] hun onderzoek als volgt nog nader toegelicht. De Catamaran is bij uitstek een geschikte behandelsetting voor verdachte, met groepen die passend zijn voor verdachte. Hier zijn jongeren geplaatst zonder antisociale problematiek, maar zij hebben ernstige delicten gepleegd. Beter dan tijdens een ambulante behandeling kan verdachte daar in een groepssetting worden geobserveerd, waarbij met name van belang is hoe de interactie van verdachte met groepsgenoten plaatsvindt. Door een dergelijke plaatsing kan hij in sociaal opzicht weerbaarder gemaakt worden en kan meer duidelijkheid ontstaan over zijn functioneren binnen een groep. Daarnaast is het van belang dat er steeds een risicotaxatie wordt uitgevoerd. Ambulante behandeling lijkt minder geschikt, onder meer omdat nog onduidelijk is of verdachte en zijn moeder voldoende gemotiveerd zijn voor behandeling. Daar komt bij dat er in geval van ambulante behandeling niet dan wel in aanzienlijk mindere mate sprake is van de noodzakelijk geachte groepsinteractie. Dat geldt evenzeer voor plaatsing in een volledig gesloten setting. Al het voorgaande brengt mee dat klinische opname voor de beginfase van de behandeling de voorkeur verdient. Te verwachten is dat verdachte betrekkelijk snel verlof kan ‘verdienen’. Verder is de verwachting van de deskundigen dat in twee jaar een goede start kan worden gemaakt met de behandeling, maar dat verdere hulpverlening daarna mogelijk nog nodig is.
Alles overwegende neemt de rechtbank de conclusies van de rapporteurs over en maakt deze tot de hare.
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 24 juni 2020.
De Raad heeft geadviseerd verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Daarnaast heeft de Raad geadviseerd hem een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat hij:
- meewerkt aan behandeling binnen een forensische klinische behandelsetting, zoals De Catamaran, met de opdracht tot toezicht en begeleiding door Jeugdbescherming Amsterdam;
- zich zal houden aan de plicht zich te melden bij Jeugdbescherming.
De Raad heeft in het kader van dit advies de ernst van het delict, de veiligheid van anderen en de verdere ontwikkeling van verdachte afgewogen. De Raad heeft alle behandelmodaliteiten onderzocht en aan de hand van de toepasselijke criteria geoordeeld dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel het meest passend is.
- het rapport van Jeugdbescherming Regio Amsterdam van 24 juni 2020.
Uit dit rapport blijkt dat Jeugdbescherming het eens is met het advies aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Jeugdbescherming heeft meerdere opties tegen elkaar afgewogen, waarbij zij de tweede (klinische opname bij YOUZ/Triversum) en derde optie (ambulante intensieve gezinsbehandeling) het meest in het belang van verdachte vinden. Daarnaast bevinden deze instellingen zich dichterbij huis, met als voordeel dat verdachte los van de individuele behandeling ook intensieve systemische hulp kan ontvangen. YOUZ biedt zelf een forensische aanpak. Bij Triversum kan dit worden verzorgd door een intensieve forensische aanpak (IFA) coach van Spirit en intensieve systemische hulp in te zetten. Tot slot heeft Jeugdbescherming de mogelijkheid van ambulante intensieve gezinsbehandeling afgewogen. Jeugdbescherming is van mening dat de hulp bij voorkeur in een zo kleinschalig mogelijke setting plaats moet vinden. Naast de gezinsbehandeling acht Jeugdbescherming bij deze optie noodzakelijk dat een IFA-coach wordt ingezet, en dat verdachte zich zal houden aan de voorwaarden die Jeugdbescherming heeft opgesteld.
Indien de rechtbank besluit tot een klinische opname bij De Catamaran, acht Jeugdbescherming het in het belang van verdachte om geen termijn te verbinden aan deze opname, zodat deze kan worden beëindigd wanneer dat passend is. De behandeling kan alsdan worden opgevolgd door ambulante hulpverlening.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet alleen behandeld moet worden maar ook een
onvoorwaardelijke jeugddetentievan na te noemen duur moet worden opgelegd.
Op grond van het wettelijk stelsel van het jeugdstrafrecht kan een verdachte die ten tijde van het gepleegde misdrijf vijftien jaar oud was, maximaal een jeugddetentie van één jaar als straf opgelegd worden. Het openbaar ministerie heeft met de keuze voor deze tenlastelegging de nadruk gelegd op de diefstal, met als niet beoogd gevolg het overlijden van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank past deze tenlastelegging, en de daaruit volgende bewezenverklaring, bij wat de verdachten hadden gepland en wat er uiteindelijk is gebeurd. Verdachte heeft verklaard er nooit aan te hebben gedacht dat de beroving anders zou kunnen verlopen dan hij en zijn medeverdachte hadden gepland. De rechtbank neemt dan ook aan, mede gelet op hetgeen de deskundigen daarover hebben aangegeven, dat de situatie volledig uit de hand is gelopen ten opzichte van wat de verdachten voor ogen hadden.
Daarnaast acht de rechtbank het van groot belang dat het recidiverisico door behandeling van verdachte wordt beperkt. Bij de hoogte van de op te leggen jeugddetentie heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte zal moeten meewerken aan een intensieve en langdurige behandeling.
De officieren van justitie hebben op basis van deze tenlastelegging geëist dat aan verdachte een jeugddetentie van tien maanden zou worden opgelegd. Alhoewel begrijpelijk is dat namens de nabestaanden vanuit het leed dat hen is aangedaan, de hoogst op te leggen vrijheidsstraf is bepleit, ziet de rechtbank, gelet op het voorgaande, geen aanleiding van de strafeis af te wijken.
De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een
voorwaardelijke PIJ-maatregel, naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie, passend en geboden is. Het gepleegde feit is een misdrijf waarop de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer stelt. Verder is uit de triple-rapportage gebleken dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Uit de triple-rapportage, het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en de toelichtingen hierop ter terechtzitting is voorts gebleken dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Ook Jeugdbescherming heeft geadviseerd verdachte binnen het dwingende kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel te behandelen. De Jeugdbescherming verschilt alleen van mening met de andere deskundigen over de wijze waarop invulling aan deze maatregel moet worden gegeven.
Bovendien acht de rechtbank deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
De rechtbank zal, zoals hiervoor aangegeven, bepalen dat de PIJ-maatregel vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd. Zij zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om verdachte ervan te weerhouden voor het einde van die proeftijd strafbare feiten te begaan. Als bijzondere voorwaarde zal de rechtbank bepalen dat verdachte meewerkt aan behandeling in De Catamaran. Geadviseerd is deze behandeling klinisch te starten en ambulant voort te zetten op het moment dat dit gelet op de vooruitgang van verdachte mogelijk is.
Gelet op de ernst van het delict, ziet de rechtbank vooralsnog geen ruimte voor de alternatieven zoals door Jeugdbescherming onderzocht, waarbij Jeugdbescherming het belang van verdachte het zwaarst heeft laten wegen. Dat heeft echter niet als enig belang te gelden.
De rechtbank overweegt dat in dit geval, gelet op de ernst van het feit, oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel ook gerechtvaardigd was geweest. Daartoe is echter niet geadviseerd, gelet op onder meer het ontbreken van een langdurig zorgelijke delictgeschiedenis. Evenmin is eerder geïntervenieerd op de aanwezige risico’s. Een langdurige residentiële behandeling noch een gesloten justitiële behandeling is nodig geacht. De noodzakelijke behandeling kan op een andere, minder ingrijpende wijze worden georganiseerd. Ook is geen sprake van het mislukken van eerdere justitiële sancties, aldus de deskundigen. Gelet op deze adviezen zal de rechtbank de PIJ-maatregel dan ook in voorwaardelijke vorm aan verdachte opleggen.
In tegenstelling tot de verdediging ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat verdachte op zodanige wijze anders dan de medeverdachte door de politie of in het onderzoek is bejegend dat dit van invloed zou moeten zijn op de strafmaat.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten – kort gezegd – diefstal in vereniging met geweld, met de dood ten gevolge. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Hoewel het recidiverisico door de deskundigen als matig verhoogd wordt ingeschat, overweegt de rechtbank dat verdachte het delict uit het niets heeft gepleegd en tijdens het plegen van het delict – ondanks dat de gelegenheid daartoe aanwezig was- op geen enkel moment zelfs maar heeft overwogen dit plan af te blazen. Gelet hierop zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.