ECLI:NL:RBNHO:2020:5707

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 juli 2020
Publicatiedatum
28 juli 2020
Zaaknummer
HAA 19/2274
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Eiseres had beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om haar Ziektewetuitkering te beëindigen. Tijdens de procedure verklaarde het bestuursorgaan het bezwaar alsnog gegrond, waarna eiseres het beroep introk. Tegelijk verzocht zij om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a Awb.

De rechtbank oordeelde dat het beroep was ingetrokken vanwege de tegemoetkoming van het bestuursorgaan en dat het verzoek om proceskostenvergoeding terecht was ingediend. De kosten betroffen professionele rechtsbijstand en griffierecht, die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking kwamen.

De rechtbank veroordeelde het bestuursorgaan tot betaling van €1.050,- aan proceskosten en €47,- griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter A.R. ten Berge en griffier A.C. Karels op 21 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het bestuursorgaan wordt veroordeeld tot vergoeding van €1.050,- proceskosten en €47,- griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/2274

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres(gemachtigde: mr. F.M. Meis),

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: [naam 1] ).

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de Ziektewetuitkering van eiseres met ingang van 21 december 2019 beëindigd.
Bij besluit van 5 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2019. Eiseres is verschenen, vergezeld van [naam 2] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Bij beslissing van 13 januari 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest.
Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 5 maart 2020 heeft verweerder het bezwaar gericht tegen het primaire besluit alsnog gegrond verklaard.
Eiseres heeft bij brief van 9 april 2020 het beroep ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiseres verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
De rechtbank heeft bij brief van 18 mei 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft bij brief van 20 mei 2020 gereageerd.
Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiseres en dat eiseres tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
4. De rechtbank zal het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toewijzen.
5. De kosten die eiseres vergoedt wenst te zien, hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 1.050,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).
6. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 47,- te worden vergoed door verweerder.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van
€ 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 21 juli 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.