Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
- de dagvaarding van 19 mei 2020, tevens eis in incident
- de incidentele conclusie van antwoord.
2.De beoordeling in het incident
3.De beslissing
2 september 2020voor conclusie van antwoord.
Rechtbank Noord-Holland
In deze civiele zaak vordert eiseres dat gedaagde op straffe van dwangsom bankafschriften van twee bankrekeningen en stukken van een beleggingsrekening overlegt over de periode van 31 december 2018 tot en met 16 mei 2019. Partijen zijn in 2003 gehuwd en hebben in april 2019 een echtscheidingsconvenant getekend, waarbij de rechtbank in juni 2019 de echtscheiding uitsprak en het convenant als beschikking vaststelde.
Eiseres stelt dat gedaagde bij het opstellen van het convenant niet volledig openheid van zaken heeft gegeven over de vermogensrechtelijke situatie en mogelijk vermogensbestanddelen heeft verzwegen of schulden heeft gemaakt, waardoor de gemeenschap is benadeeld. De rechtbank oordeelt dat de vordering voldoet aan de vereisten van artikel 843a Rv en toewijsbaar is, ondanks betwisting van gedaagde over het belang en de rechtsbetrekking.
Gedaagde heeft slechts gedeeltelijk stukken overgelegd, waaronder een bankafschrift van februari 2020, dat geen inzicht geeft in het saldo en verloop in de gevorderde periode. De rechtbank beveelt daarom de volledige overlegging van de gevraagde stukken en legt een dwangsom op voor het geval van niet-naleving. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de kosten van het incident.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot overlegging van bankafschriften en beleggingsstukken over de gevorderde periode onder dwangsom.