ECLI:NL:RBNHO:2020:6026

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 augustus 2020
Publicatiedatum
7 augustus 2020
Zaaknummer
HAA 19/4654
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 26 Invorderingswet 1990Art. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakArt. 8:71 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring bestuursrechter inzake kwijtscheldingsverzoeken gemeentelijke heffingen

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar herhaalde verzoeken tot kwijtschelding van gemeentelijke heffingen over meerdere jaren. De rechtbank heeft zich in haar uitspraak van 5 december 2019 onbevoegd verklaard om over het geschil te oordelen. Tegen deze uitspraak heeft opposante verzet ingesteld.

De rechtbank heeft het verzet behandeld en beoordeelt daarbij uitsluitend of de onbevoegdverklaring terecht is. Opposante betoogt dat de bestuursrechter wel bevoegd is omdat het hier een procedure betreft op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en niet de Invorderingswet 1990. De rechtbank volgt dit betoog niet en overweegt dat artikel 26 van Pro de Invorderingswet 1990 van toepassing is op het herhaalde verzoek tot kwijtschelding.

De rechtbank stelt dat tegen de afwijzing van het verzoek administratief beroep openstaat bij het college van burgemeester en wethouders, maar dat tegen de afwijzing van dat beroep geen bestuursrechtelijk beroep mogelijk is. De bestuursrechter is daarom onbevoegd kennis te nemen van het geschil. Het verzet wordt ongegrond verklaard, waarmee de eerdere uitspraak in stand blijft.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de rechtbank blijft onbevoegd om over het geschil te oordelen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/4654 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2020 op het verzet van

[X] , wonende te [Z] , opposante.

Procesverloop

Opposante heeft aangaande het uitblijven van een beslissing op de administratieve beroepsprocedures op de herhaalde verzoeken tot kwijtschelding van de heffingen over de jaren 2015, 2017, 2018 en 2019 beroep ingesteld. Opposante had haar verzoeken gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik.
Bij uitspraak van 5 december 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Opposante heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Opposante heeft op 11 juni 2020 een nader stuk ingediend.
Het verzet is behandeld ter zitting van 26 juni 2020. Opposante is aldaar niet verschenen. Opposante is door de griffier bij aangetekend verzonden brief van 29 mei 2020 aan het van opposante bekende adres, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit nader ingesteld onderzoek bij PostNL is gebleken dat deze brief op 2 juni 2020 is bezorgd en dat is getekend voor ontvangst. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze is aangeboden.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van
5 december 2019 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de rechtbank onbevoegd is.
3. Opposante stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de rechtbank vervallen moet worden verklaard en voert daartoe - samengevat - aan dat het hier een herhaald verzoek ex artikel 26.4.2 van de Leidraad Invordering betreft. Deze procedure is niet gegrond op de Invorderingswet 1990 maar op de Awb. De dwangsombepalingen ingeval van niet tijdig beslissen zijn gewoon van toepassing en daarmee is de bestuursrechter bevoegd over het geschil te beslissen.
4. De rechtbank volgt opposante niet in haar betoog en overweegt daartoe als volgt.
5. Blijkens de overgelegde stukken heeft opposante een (herhaald) verzoek tot kwijtschelding gedaan en is zij in beroep gekomen wegens het uitblijven van een beslissing op een verzoek tot herziening van de beslissing die daarop in administratief beroep is genomen. Anders dan opposante stelt, is artikel 26 van Pro de Invorderingswet 1990 van toepassing op het door haar gedane herhaalde verzoek tot kwijtschelding Tegen de afwijzende beschikking van het college staat administratief beroep open bij het college. Tegen ongegrondverklaring van dat beroep staat vervolgens geen beroep bij de bestuursrechter (de belastingrechter) open, maar kan uitsluitend nog een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld (zie artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, jo. artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak en artikel 8:71 van Pro de Awb). De bestuursrechter is dus niet bevoegd kennis te nemen van geschillen die betrekking hebben op verzoeken tot kwijtschelding van gecombineerde gemeentelijke heffingen als de onderhavige. Het andersluidende betoog van opposante is onjuist.
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 5 december 2019 in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van
A.C. Karels, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2020.
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.