Een passagier vorderde compensatie van luchtvaartmaatschappij Finnair wegens een vertraging van meer dan 18 uur op zijn vlucht van New Delhi naar Amsterdam via Helsinki. De vertraging ontstond doordat vlucht AY122 moest omvliegen vanwege de sluiting van het Pakistaanse luchtruim op 27 februari 2019, veroorzaakt door oorlogsdreiging.
Finnair verweerde zich met het argument dat de sluiting van het luchtruim een buitengewone omstandigheid is, waardoor zij niet aansprakelijk is voor compensatie. De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de passagier meer dan drie uur vertraging had opgelopen, wat in principe compensatieplichtig is.
De rechtbank oordeelde dat Finnair voldoende bewijs had geleverd dat de vertraging het gevolg was van de sluiting van het Pakistaanse luchtruim en dat Finnair alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te beperken, waaronder het omboeken van de passagier op de eerstvolgende vlucht. De passagier kon niet aantonen dat een snellere vlucht beschikbaar was.
Daarom werd de vordering afgewezen. De passagier werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €240. Het vonnis is gewezen door kantonrechter C.E. van Oosten-van Smaalen.