De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte vrijgesproken van het medeplegen van het opzettelijk invoeren van circa 110 kilogram cocaïne in Nederland via het motorschip [schip]. Het bewijs was onvoldoende om vast te stellen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne op het schip.
Wel is bewezen verklaard dat verdachte samen met anderen bevorderingshandelingen heeft verricht gericht op de verdere verspreiding van de cocaïne. Dit betrof het verschaffen van inlichtingen over de ligplaats en beveiliging van het schip, het monitoren van de positie van het schip via een website, het huren van een auto en het onderhouden van telefonisch contact over instructies.
De rechtbank oordeelde dat verdachte en haar medeverdachten als medeplegers optraden door nauwe en bewuste samenwerking. Gelet op de ernst van het feit en de maatschappelijke gevolgen van cocaïnehandel, werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren opgelegd. Daarnaast werden de telefoons die bij verdachte in beslag waren genomen verbeurd verklaard en de auto bewaard ten behoeve van de rechthebbende.