Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vorderingen benadeelde partijen
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
18 (achttien) maanden.
6 (zes) maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een
proeftijd vast van 3 jaren.
[benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 973,84als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[benadeelde partij 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 973,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2020. Bepaalt de duur van de gijzeling op maximaal 19 dagen indien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 Sv niet mogelijk blijkt.
[benadeelde partij 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 179.117,46als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[benadeelde partij 3]geleden schade tot een bedrag van
€ 10.408,71,als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[benadeelde partij 4]geleden schade tot een bedrag van
€ 3.457,93,als vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[benadeelde partij 4]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.457,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2020. Bepaalt de duur van de gijzeling op maximaal 44 dagen indien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 Sv niet mogelijk blijkt.