Eiseres heeft beroep ingesteld tegen herzieningsbeschikkingen van de Belastingdienst waarin haar verzamelinkomen voor 2013 en 2014 werd vastgesteld zonder aftrek voor specifieke zorgkosten. Zij stelde dat zij recht had op deze aftrek en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat zij in een eerdere zaak over 2015 in het gelijk was gesteld.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de kosten had gemaakt en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat iedere aanslag op zichzelf staat en geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Wel werd eiseres een immateriële schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van circa negen maanden. De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een vergoeding uitsloten, mede omdat het verzamelinkomen invloed heeft op andere financiële regelingen.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525 en het betaalde griffierecht van €47 aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter B. van Walderveen op 2 september 2020 in Haarlem.