ECLI:NL:RBNHO:2020:6750
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde vrijstaande woning en toetsing gelijkheidsbeginsel
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, die door verweerder is vastgesteld op €409.000 en na bezwaar verlaagd tot €389.000. Eiser voert aan dat vergelijkbare woningen in de straat aanzienlijk lagere WOZ-waardes hebben, wat volgens hem tot een lagere waardering van zijn woning zou moeten leiden.
Verweerder heeft een taxatierapport en waardematrix overgelegd waarin de woning op €389.000 is getaxeerd, gebaseerd op verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum 1 januari 2018. De rechtbank oordeelt dat verweerder hiermee aan zijn bewijslast heeft voldaan.
De rechtbank stelt vast dat de lagere waardes van twee buurwoningen het gevolg zijn van incidentele fouten en dat er geen sprake is van een begunstigend beleid of schending van het gelijkheidsbeginsel. De verkoopprijs van een van de woningen na de referentieperiode bevestigt dit. Gezien het ontbreken van relevante transactiegegevens voor deze woningen en het grote aantal vergelijkbare woningen met correcte waardes, wordt het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter B. van Walderveen op 3 september 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €389.000 wordt ongegrond verklaard.