ECLI:NL:RBNHO:2020:6810

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2020
Publicatiedatum
31 augustus 2020
Zaaknummer
8105855 CV EXPL 19-15555
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim passagiers wegens buitengewone omstandigheden luchtvertraging

De passagiers vorderden compensatie van Lufthansa wegens een vertraging van meer dan drie uur op hun vlucht van Amsterdam naar Denver via Frankfurt op 15 mei 2019. Lufthansa verweerde zich met een beroep op buitengewone omstandigheden, omdat de vertraging het gevolg was van een besluit van de luchtverkeersleiding om de Calculated Take Off Time (CTOT) van een voorafgaande vlucht te wijzigen.

De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat Lufthansa in beginsel compensatie verschuldigd zou zijn volgens Verordening (EG) nr. 261/2004, tenzij buitengewone omstandigheden konden worden aangetoond. Lufthansa toonde aan dat de vertraging voortkwam uit een CTOT-wijziging opgelegd door de luchtverkeersleiding, een externe oorzaak waarop zij geen invloed had.

De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden kwalificeren als buitengewone omstandigheden in de zin van de Verordening en dat Lufthansa alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te voorkomen, waaronder het omboeken van passagiers naar de eerstvolgende vlucht. De vordering tot compensatie werd daarom afgewezen en de passagiers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen wegens buitengewone omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8105855 CV EXPL 19-15555
Uitspraakdatum: 1 juli 2020
Vonnis in de zaak van:

1.[passagier sub 1]

2. [passagier sub 2]

3. [passagier sub 3]

allen wonende te [woonplaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. D.E. Lof
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland) en mede kantoorhoudende te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer
gedaagde
hierna te noemen: Lufthansa
gemachtigde: mr. E.C. Douma

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 28 augustus 2019 een vordering tegen Lufthansa ingesteld. Lufthansa heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna Lufthansa een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Lufthansa de passagiers op 15 mei 2019 diende te vervoeren van Amsterdam naar Frankfurt (Duitsland) met vlucht LH989 en van Frankfurt naar Denver (Verenigde Staten) met vlucht LH446, hierna: de vlucht.
2.2.
De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van Lufthansa gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
Lufthansa heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagiers vorderen dat Lufthansa, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 270,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat Lufthansa vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.

4.Het verweer

4.1.
Lufthansa betwist de vordering. Zij voert aan dat sprake is van buitengewone omstandigheden. Vlucht LH989 maakt onderdeel uit van de rotatievlucht LH988/989. De vertraging van vlucht LH989 is het gevolg geweest van de latere aankomst in Amsterdam van vlucht LH988. De reden van deze vertraging is dat vlucht LH988 instructies van de luchtverkeersleiding diende op te volgen. De luchtverkeersleiding had de oorspronkelijke CTOT (Calculated Take Off Time) ingetrokken en een latere CTOT aan het toestel toegekend. Lufthansa had hier geen invloed op en kon vlucht LH988, en daardoor ook vlucht LH989, alleen met vertraging uitvoeren. De passagiers hebben hierdoor hun aansluitende vlucht gemist en zijn omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht waarop plaats was.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming, zodat Lufthansa op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien Lufthansa kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.
5.3.
Lufthansa heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. De passagiers betwisten dat de vertraging te wijten is aan CTOT wijzigingen. De passagiers stellen zich op het standpunt dat geen sprake is van een besluit van de luchtverkeersleiding dat specifiek gericht was op het toestel waarmee de vlucht in kwestie werd uitgevoerd. Bovendien is volgens de passagiers niet gebleken dat de besluiten van de luchtverkeersleiding op zichzelf tot de uiteindelijke vertraging van de vlucht hebben geleid. Volgens de passagiers is er dan ook geen sprake van buitengewone omstandigheden.
5.4.
De vraag die voorligt is of Lufthansa met de door haar overgelegde producties en haar toelichting daarop voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de passagiers het gevolg is geweest van een door de luchtverkeersleiding genomen besluit. De kantonrechter overweegt als volgt.
5.5.
Lufthansa heeft de ‘slot history’ van de vluchten LH988 en LH989 overgelegd. Hieruit volgt dat de voorafgaande vlucht LH988 om 05:10 uur UTC een andere CTOT opgelegd heeft gekregen, welke CTOT vervolgens om 05:35 uur UTC is gewijzigd. De CTOT’s zijn opgelegd wegens vertragingscode 83 (
ATFM due to RESTRICTION AT DESTINATION AIRPORT, airport and/or runway closed due to obstruction, industrial action, staff shortage, political unrest, noise abatement, night curfew, special flights). Vlucht LH988 is met een vertraging van 51 minuten vertrokken en met een vertraging van 58 minuten aangekomen in Amsterdam. Niet is gebleken dat Lufthansa zelf om een andere CTOT heeft verzocht. Het besluit van de luchtverkeersleiding tot het opleggen van een andere CTOT is een van buiten komende oorzaak waarop de luchtvaartmaatschappij geen invloed kan uitoefenen. Dit kwalificeert als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
5.6.
Voldoende is gebleken dat de buitengewone omstandigheid doorwerkt naar de onderhavige vlucht. Het volgende is daarvoor redengevend. De vertrekvertraging van 51 minuten op de voorafgaande vlucht LH988 is ontstaan door een buitengewone omstandigheid. Lufthansa heeft bovendien voldoende reservetijd opgenomen tussen de twee rotatievluchten om eventuele vertragingen op te vangen. Voldoende gebleken is dat de vertrekvertraging van vlucht LH989 is ontstaan als gevolg van de voornoemde buitengewone omstandigheid. Uit de vluchtrapportage van vlucht LH989 blijkt dat er een vertraging van 46 minuten is ontstaan wegens ‘aircraft rotation, late arrival of aircraft from another flight or previous sector’ (vertragingscode 93). De uiteindelijke vertraging van de passagiers van meer dan drie uur op de eindbestemming is dus het directe gevolg geweest van de vertraagde vlucht LH989. Ten gevolge hiervan hebben de passagiers de aansluitende vlucht LH446 naar Denver gemist. De uiteindelijke vertraging van de passagiers op de eindbestemming is dan ook het gevolg van buitengewone omstandigheden.
5.7.
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of Lufthansa alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen. Lufthansa heeft aangevoerd dat op de luchthaven van Frankfurt een minimale overstaptijd (MCT) van 45 minuten geldt. De passagiers hadden oorspronkelijk een overstaptijd van 65 minuten. Er is bij het boeken van de vlucht dus voldoende overstaptijd in acht genomen om eventuele vertragingen op te kunnen vangen. Lufthansa heeft de passagiers omgeboekt naar een andere vlucht op 15 mei 2019 toen duidelijk was dat de passagiers de aansluitende vlucht naar Denver niet meer konden halen. Ten aanzien van de stelling van de passagiers dat zij niet zijn omgeboekt naar een andere vlucht ‘bij eerste gelegenheid’ oordeelt de kantonrechter dat van Lufthansa kan niet worden gevergd dat zij voor het aanbieden van een alternatieve vlucht de passagiers de mogelijkheid geeft om te kiezen uit alle vluchten van die dag bij alle luchtvaartmaatschappijen. Het aanbieden van de eerst mogelijke vlucht uitgevoerd door Lufthansa, dan wel een dochtermaatschappij acht de kantonrechter voldoende. Voorts heeft Lufthansa gemotiveerd weersproken dat het gelet op de tijd mogelijk was om de passagiers een eerdere vlucht vanaf Amsterdam aan te bieden.
5.8.
Lufthansa heeft het standpunt van de passagiers dat Lufthansa zou beschikken over een reservevliegtuig, omdat zij lid is van het samenwerkingsverband Star Alliance, gemotiveerd weersproken.
5.9.
Gelet op het voorgaande is gebleken dat Lufthansa alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. De vordering van de passagiers zal dan ook worden afgewezen. De overige verweren van Lufthansa behoeven derhalve geen bespreking.
5.10.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat deze ongelijk krijgen. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Lufthansa worden vastgesteld op een bedrag van € 360,00 aan salaris van de gemachtigde van Lufthansa.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter