ECLI:NL:RBNHO:2020:6821

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2020
Publicatiedatum
31 augustus 2020
Zaaknummer
8162990 CV EXPL 19-17616
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Luchtvaartmaatschappij aansprakelijk voor vertraagde vlucht en compensatiepassagiers

De passagiers vorderden compensatie van Lufthansa wegens een vertraging van meer dan drie uur op hun vlucht van Istanbul naar Amsterdam via Frankfurt op 14 augustus 2018. Lufthansa stelde dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk instructies van de luchtverkeersleiding die de oorspronkelijke CTOT introkken en een nieuwe oplegden.

De rechtbank stelde vast dat Lufthansa slechts een deel van de vertraging (26 minuten) kon toerekenen aan een buitengewone omstandigheid. De overige vertragingen, waaronder de gemiste aansluitende vlucht, konden niet als zodanig worden aangemerkt omdat Lufthansa onvoldoende had aangetoond dat zij geen invloed had op de gewijzigde CTOT. De minimale overstaptijd op Frankfurt was 45 minuten, terwijl de passagiers 75 minuten hadden, waardoor de buitengewone vertraging opgevangen had kunnen worden.

De rechtbank wees de vordering tot compensatie toe tot een bedrag van €800,00 vermeerderd met wettelijke rente. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Lufthansa werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten, behalve de incassokosten. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter S.N. Schipper.

Uitkomst: Lufthansa wordt veroordeeld tot betaling van €800,00 compensatie aan passagiers wegens vertraging van meer dan drie uur.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8162990 CV EXPL 19-17616
Uitspraakdatum: 1 juli 2020
Vonnis in de zaak van:

1.[passagier sub 1]

2.
[passagier sub 2]
beiden wonende te [woonplaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigden: mr. H. Paksoy en S. Deliboyraz LL.B.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland) en mede kantoorhoudende te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer
gedaagde
hierna te noemen: Lufthansa
gemachtigde: mr. E.C. Douma

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 22 oktober 2019 een vordering tegen Lufthansa ingesteld. Lufthansa heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna Lufthansa een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met Lufthansa een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Lufthansa de passagiers op 14 augustus 2018 diende te vervoeren van Istanbul (Turkije) naar Frankfurt (Duitsland) met vlucht LH1301 en van Frankfurt naar Amsterdam met vlucht LH1002, hierna: de vlucht.
2.2.
Vlucht LH1301 is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben hun aansluitende vlucht gemist en zijn omgeboekt naar een andere vlucht op 15 augustus 2018. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van Lufthansa gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
Lufthansa heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagiers vorderen dat Lufthansa, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met 21% BTW van € 25,20;
- de proceskosten.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat Lufthansa vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier.

4.Het verweer

4.1.
Lufthansa betwist de vordering. Zij voert aan dat sprake is van buitengewone omstandigheden. Vlucht LH1301 maakt onderdeel uit van de rotatievlucht LH1300/1301. De vertraging van vlucht LH1301 is het gevolg van de latere aankomst in Frankfurt van de voorafgaande vlucht LH1300. De reden van deze vertraging is dat vlucht LH1300 instructies van de luchtverkeersleiding diende op te volgen. De luchtverkeersleiding had de oorspronkelijke CTOT (Calculated Take Off Time) ingetrokken en een nieuwe CTOT aan het toestel toegekend. Lufthansa had hier geen invloed op en kon vlucht LH1300, en daardoor ook vlucht LH1301, alleen met vertraging uitvoeren. De passagiers hebben hierdoor de aansluitende vlucht gemist en zijn omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht.
4.2.
Lufthansa betwist voorts buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming, zodat Lufthansa op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien Lufthansa kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.
5.3.
Lufthansa doet een beroep op (doorwerking) van een buitengewone omstandigheid. De passagiers stellen dat uit het vluchtrapport van vlucht LH1300 volgt dat er meerdere vertragingsoorzaken waren en dat ten aanzien van de besluiten van de luchtverkeersleiding niet duidelijk is of de luchtvaartmaatschappij zelf om een nieuwe CTOT heeft gevraagd. Volgens de passagiers is er geen sprake van een buitengewone omstandigheid, en als hiervan al sprake zou zijn, dan heeft Lufthansa onvoldoende redelijke maatregelen getroffen als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
5.4.
De vraag die beantwoord moet worden is of Lufthansa met de door haar overgelegde producties en haar toelichting daarop voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming het gevolg is van (doorwerking van) een door de luchtverkeersleiding genomen besluit waarop zijn geen invloed had.
5.5.
Lufthansa heeft het vluchtrapport van de voorafgaande vlucht LH1300 overgelegd. Hieruit volgen vier verschillende vertragingsoorzaken. Lufthansa licht toe dat alleen de vertraging die is ontstaan wegens vertragingscode 83 (
ATFM due to RESTRICTION AT DESTINATION AIRPORT, airport and or runway closed due to obstruction, industrial action, staff shortage, political unrest, noise abatement, night curfew, special flights) van belang is. De voorafgaande vlucht LH1300 stond gepland te vertrekken om 10:55 uur UTC. Uit de door Lufthansa als productie 3 overlegde ‘slot history’ van vlucht LH1300 volgt dat de luchtverkeersleiding om 10:27 uur UTC de oorspronkelijk CTOT (Calculated Take Off Time) introk en het toestel een nieuwe CTOT oplegde van 11:21 uur UTC. De CTOT werd vervolgens nog diverse keren gewijzigd. Met de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat Lufthansa niet zelf om een nieuwe CTOT heeft verzocht. Lufthansa voert aan dat indien zij zelf om een CTOT zou hebben verzocht de ‘slot history’ een tijdstip na het gemiste CTOT zou vermelden. De kantonrechter kan dit standpunt niet volgen. De ‘slot history’ bevat na de eerste ingetrokken CTOT door de luchtverkeersleiding een bericht van 11:13 uur UTC waarin staat vermeld: ‘suspended by departure airport’. Vervolgens is om 11:16 uur UTC een nieuwe CTOT aan het toestel toegekend van 12:23 uur UTC. De kantonrechter begrijpt hieruit dat Lufthansa zelf een nieuwe CTOT heeft aangevraagd. In ieder geval is door Lufthansa onvoldoende aangetoond dat dit een besluit van de luchtverkeersleiding betrof waarop zij geen invloed had. Uitsluitend de vertraging die is ontstaan door het besluit van de luchtverkeersleiding van 10:27 uur UTC is derhalve aan te merken als vertraging ten gevolge van een buitengewone omstandigheid. De duur van deze vertraging bedraagt 26 minuten.
5.6.
Voldoende is gebleken dat deze vertraging doorwerkt op de onderhavige vlucht LH1301. Het volgende is daarvoor redengevend. Uit het door Lufthansa overgelegde vluchtrapport van vlucht LH1301 volgt dat er een vertraging van één uur en 19 minuten is ontstaan wegens ‘aircraft rotation, late arrival of aircraft from another flight or previous sector’ (vertragingscode 93). Vast staat dat 26 minuten van deze vertraging is ontstaan wegens een buitengewone omstandigheid die zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van vlucht LH1300. Daarbij is tussen de rotatievluchten een rotatietijd van 55 minuten gehanteerd door Lufthansa. De kantonrechter acht deze rotatietijd voldoende.
5.7.
Vervolgens is van belang of de uiteindelijke vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming het gevolg is geweest van vertraging die is ontstaan wegens een buitengewone omstandigheid. Volgens het oorspronkelijke reisschema zouden de passagiers om 17:50 uur UTC in Frankfurt arriveren. De aansluitende vlucht vertrok volgens de schemavertrektijd om 19:05 uur UTC. De passagiers hadden volgens de boekingsgegevens dus een overstaptijd van 75 minuten. Lufthansa voert aan dat de minimale overstaptijd (MCT) op de luchthaven van Frankfurt 45 minuten bedraagt. Bij het boeken is derhalve een reservetijd van 30 minuten gehanteerd. De kantonrechter stelt vast dat de vertraging van 26 minuten die het gevolg is van buitengewone omstandigheden opgevangen had kunnen worden door deze reservetijd. De passagiers hadden in dat geval hun aansluitende vlucht niet gemist. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist door de overige vertraging, waarvan onvoldoende is aangetoond dat ook deze vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden. Het beroep van Lufthansa slaagt dan ook niet. De vordering van de passagiers zal worden toegewezen.
5.8.
Nu Lufthansa voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom, gelet op de duur van de vertraging van de vlucht worden toegewezen
5.9.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
5.10.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Lufthansa heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De passagiers hebben hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de daarover gevorderde BTW moet daarom worden afgewezen.
5.11.
De proceskosten komen voor rekening van Lufthansa, omdat zij met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten in het ongelijk wordt gesteld.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
Veroordeelt Lufthansa tot betaling aan de passagiers van € 800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
6.2.
veroordeelt Lufthansa tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 104,39;
griffierecht € 231,00;
salaris gemachtigde € 240,00;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter