Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Beschikking van de kantonrechter
procedure
- het verzoek met bijlagen, ter griffie ingekomen op 4 augustus 2020;
- een nadere toelichting op het verzoek, ter griffie ingekomen op 18 augustus 2020.
Rechtbank Noord-Holland
Verzoekers hebben bij de kantonrechter een verzoek ingediend om machtiging te verkrijgen voor uitkering van de kindsdelen uit de nalatenschap van de echtgenoot van betrokkene, die onder bewind is gesteld. Het testament uit 1986 bepaalt dat de kindsdelen pas opeisbaar zijn bij overlijden, faillissement, aanvraag surséance van betaling, aanvraag bijstand of hertrouwen zonder huwelijksvoorwaarden.
Betrokkene verblijft momenteel in een verzorgingstehuis en betaalt een hoge eigen bijdrage voor zorgkosten, mede gebaseerd op haar banktegoed, waaronder de erfdelen van haar kinderen. Verzoekers willen de kindsdelen nu laten uitkeren om de eigen bijdrage te verlagen, mede vanwege een aanstaande verhuizing naar intramurale zorg met hogere kosten.
De kantonrechter oordeelt dat de kindsdelen niet opeisbaar zijn en dat uitkering niet in het belang van betrokkene is omdat het vermogen daardoor vermindert zonder verplichting. De mogelijkheid om via estateplanning of een levenstestament het vermogen anders te regelen had betrokkene zelf moeten benutten toen zij daartoe in staat was.
Daarom wijst de kantonrechter het verzoek af en laat de huidige situatie onveranderd, waarbij de eigen bijdrage gebaseerd blijft op het bestaande vermogen.
Uitkomst: Verzoek tot uitkering van kindsdelen uit nalatenschap afgewezen wegens niet opeisbaarheid en niet in belang betrokkene.