ECLI:NL:RBNHO:2020:7470

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 oktober 2020
Publicatiedatum
24 september 2020
Zaaknummer
HAA 20/2403
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding wegens te late besluitvorming door minister

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar inzake de terugvordering van een tegemoetkoming voor scholieren. Verweerder nam op de dag na het verstrijken van de termijn alsnog een besluit. Eiser trok daarop het beroep in en verzocht om een afzonderlijke uitspraak over de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet te vroeg was ingediend omdat verweerder de ingebrekestelling op 7 april 2020 ontving, waarna de termijn eindigde op 20 april 2020. Het besluit van verweerder op 21 april 2020 was dus één dag te laat. Daarom werd het verzoek tot vergoeding van proceskosten toegewezen.

De proceskosten betroffen de kosten van rechtsbijstand en het griffierecht. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten en € 48,- griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter L.M. Kos op 1 oktober 2020 in Alkmaar.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten wegens te late besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/2403

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, Bezwaar & Beroep, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 21 april 2020 bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar van 4 december 2019 inzake de terugvordering tegemoetkoming scholieren.
Bij besluit van 21 april 2020 heeft verweerder alsnog op het bezwaar beslist.
Eiser heeft het beroep bij brief van 12 mei 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
De rechtbank heeft bij brief van 10 juli 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft bij brieven van 28 mei 2020 en 21 juli 2020 gereageerd.
Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder geheel tegemoet is gekomen aan het beroep niet tijdig beslissen. De rechtbank stelt verder vast dat eiser bij het intrekken van het (terecht ingediende) beroepschrift gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
4. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat het beroep te vroeg is ingediend. Niet in geschil is dat verweerder de ingebrekestelling heeft ontvangen op 7 april 2020. Dat betekent dat de termijn van de ingebrekestelling is geëindigd op 20 april 2020. Eiser heeft op 21 april 2020 beroep ingesteld en verweerder heeft op 21 april 2020 een besluit genomen. Verweerder was dus één dag te laat. De rechtbank ziet daarom aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
5. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 262,50 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor licht).
6. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 48,- te worden vergoed door verweerder.

BeslissingDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 1 oktober 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.