Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[toevoeg.nr. 4NW1442]
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De vordering
4.Het verweer en de tegenvordering
5.De beoordeling
6.De beslissing
de tegenvordering6.5. wijst de vordering af;
Rechtbank Noord-Holland
Eind maart 2017 heeft eiser een aantal bedrijfsgoederen ondergebracht in het bedrijfspand van gedaagde Burgering. In juli 2019 wilde eiser deze goederen ophalen, maar Burgering ontzegde hem de toegang. Eiser startte een eigen garagebedrijf en vorderde afgifte van zijn goederen en schadevergoeding wegens het niet kunnen beschikken over zijn gereedschap.
Burgering stelde dat sprake was van een huurovereenkomst waarvoor eiser geen huur betaalde, waardoor hij een retentierecht kon uitoefenen. Daarnaast vorderde hij vaststelling van het einde van de huurovereenkomst en betaling van achterstallige huur.
De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende is komen vast te staan dat partijen een huurovereenkomst zijn aangegaan. Burgering had onvoldoende betwist dat eiser de bedrijfsruimte kosteloos mocht gebruiken. Het beroep op retentierecht faalde, zodat Burgering werd veroordeeld tot afgifte van de goederen, met uitzondering van divers autogereedschap dat niet was aangetoond in zijn bezit te zijn.
De schadevergoeding werd afgewezen omdat eiser onvoldoende had onderbouwd welke omzet- en winstderving hij had geleden. De proceskosten werden Burgering opgelegd omdat hij in overwegende mate ongelijk kreeg. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Vordering tot afgifte van bedrijfsgoederen gedeeltelijk toegewezen, tegenvordering afgewezen, schadevergoeding afgewezen.