ECLI:NL:RBNHO:2020:8037
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering passagier tegen China Eastern wegens niet-nakoming vervoersverplichtingen niet bewezen
De passagier vorderde van China Eastern de afgifte van tickets of schadevergoeding wegens vermeende weigering tot vervoer op diverse vluchten, waaronder de vlucht van Shanghai naar Beijing en Shanghai naar Amsterdam. De passagier stelde dat China Eastern tekort was geschoten in haar vervoersverplichtingen en baseerde zich onder meer op de Europese Verordening 261/2004.
China Eastern betwistte de vorderingen en stelde dat de passagier niet tijdig was komen opdagen (no-show) voor meerdere vluchten, waardoor de overige coupons vervielen. De kantonrechter stelde vast dat de passagier onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zich tijdig had gemeld voor de vlucht van Shanghai naar Amsterdam en dat de Verordening niet van toepassing was op vluchten vanuit Shanghai omdat China Eastern geen communautaire luchtvaartmaatschappij is.
Voor de vlucht van Shanghai naar Beijing oordeelde de kantonrechter dat de Verordening wel van toepassing was, maar dat de passagier niet was komen opdagen en dus geen recht had op compensatie. De overige vorderingen, waaronder schadevergoeding wegens verzorging en aanvullende schadevergoeding, werden eveneens afgewezen. De proceskosten werden aan de passagier opgelegd.
Uitkomst: De vordering van de passagier tegen China Eastern wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.