ECLI:NL:RBNHO:2020:8326

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 oktober 2020
Publicatiedatum
16 oktober 2020
Zaaknummer
8489875
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:208 BWArt. 6:174 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding door lekkage in appartementsgebouw

De huurder vordert schadevergoeding van de verhuurder wegens waterschade aan een schilderij en handdoeken veroorzaakt door een lekkage in het appartementsgebouw. De lekkage ontstond door een breuk in de waterleiding tussen de 11e en 12e verdieping, buiten het gehuurde.

De verhuurder is eigenaar van het appartementsrecht en lid van de Vereniging van Eigenaars (VvE), die eigenaar is van het gehele gebouw en het leidingennetwerk. De huurder baseert zijn vordering op artikel 7:208 BW Pro (aansprakelijkheid verhuurder) en artikel 6:174 BW Pro (risicoaansprakelijkheid eigenaar opstal).

De kantonrechter oordeelt dat de lekkage buiten het gehuurde lag en het leidingennetwerk eigendom is van de VvE, niet van de verhuurder. De verhuurder kon niet zelfstandig onderhoud plegen aan het leidingennetwerk. Hierdoor is de verhuurder niet aansprakelijk voor de gevolgschade. Ook het beroep op risicoaansprakelijkheid faalt omdat de verhuurder niet de eigenaar van de opstal is.

De vordering wordt daarom afgewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens lekkage wordt afgewezen omdat de verhuurder niet aansprakelijk is voor het leidingennetwerk dat eigendom is van de VvE.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8489875 / CV EXPL 20-3770
Uitspraakdatum: 21 oktober 2020
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats]
eiser
verder te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. C.G.M. Oosterwijk
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon.

1.Het procesverloop

1.1.
[eiser] heeft bij dagvaarding van 23 april 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven. Ten slotte heeft [eiser] nog een akte uitlating producties ingediend.

2.De feiten

2.1.
Vanaf 1 januari 1993 huurt [eiser] de tweekamerflat op de zevende verdieping aan [adres], hierna: het gehuurde. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing verklaard de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ versie april 1989).
2.2.
Sinds augustus 2017 is [gedaagde] eigenaar van het appartementsrecht betreffende het gehuurde en 36 andere appartementsrechten in hetzelfde flatgebouw. Hij is daardoor ook lid van de Vereniging van Eigenaars die eigenaar is van het gehele flatgebouw.
2.3.
Op 7 mei 2018 heeft zich in het gehuurde een lekkage voorgedaan. [eiser] heeft daarover aan de beheerder van het pand geschreven:
(…) Het werd pas veel later duidelijk dat de breuk in de leiding tussen de 11e en 12e etage moest zitten doordat de badkamer op de 11e een natte vloer onder de linoleum vloerbedekking vertoonde. (…)Na lang onderzoek is deze [naam] er achter gekomen dat de waterleiding in de verticale kloof achter de WC ruimte tussen de 11e en 12e verdieping defect moest zijn en deze lekkage veroorzaakte. Het water is in deze koof diverse etages omlaag gestroomd en heeft een weg gezocht via het plafond van mijn badkamer boven mijn linnenkast en dat van de hall juist boven de intercomverbinding. Om de lekkage te stoppen heeft hij de achterwand van de wc ruimte op de 11e etage open gemaakt en de lekkage toen daar kunnen lokaliseren. Die is toen de volgende dag hersteld. (…)
2.4.
Als gevolg van de lekkage is een schilderij van [eiser] beschadigd geraakt. De kosten van herstel hiervan bedroegen € 1.245,80. De kosten van tien handdoeken die [eiser] wegens waterschade heeft vervangen, bedroegen € 29,70. [eiser] beschikt niet over een inboedelverzekering.
2.5.
Op 13 juli 2018 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten:
(…) Volgens mijn contactpersoon moet u voor de gevolgschade aan persoonlijke eigendommen uw inboedelverzekering inschakelen. Maar als ik u goed heb begrepen dan stelt u de VvE aansprakelijk. Haar verzekeraar en uw inboedelverzekeraar zullen het onderling beslechten. (…)
2.6.
In een brief van 7 september 2018 van de toenmalig beheerder MVGM aan [eiser] staat:
(…) Door slijtage van de circulatieleidingen ten behoeve van het warm water, zijn er al meerdere malen lekkages ontstaan vanuit de leidingschachten. De VvE heeft met de firma Plomp afspraken gemaakt om de leidingen te vernieuwen. (…) Alle leidingschachten zullen open gezaagd moeten worden door een sloopbedrijf. Het betreft de schachten in de (gemeenschappelijke) gangen en in de hoekappartementen. (...) De leidingen worden vervolgens per kolom vervangen. (…)
2.7.
In een verslag van een huurdersbijeenkomst [aanduiding] van 4 februari 2019 waarbij ook [gedaagde] aanwezig was, staat:
(…)Voor [gedaagde] was het ook een verassing dat dat de leidingen vervangen moesten worden. Dit was hem niet verteld bij de aankoop en leverde dus een extra investering op die niet was gepland. Ook voor de andere achterstallige onderhoudswerkzaamheden is een investering nodig. Niet alleen voor [gedaagde] maar ook voor de gehele VvE. Hiervoor is een meerjarenbegroting opgesteld welke de VvE gebruikt voor het uitvoeren van het onderhoud. Dit stuk ligt dus niet alleen bij [gedaagde] maar bij de gehele VvE.
Vraag 2: Er is in de laatste 40 jaar nooit onderhoud gedaan aan het gehele complex, behalve dan dat het 1 x is geschilderd. (…) Wat is het plan van Dhr. [gedaagde] betreft het achterstallig onderhoud?Antwoord: [gedaagde] geeft aan dat hij dit al eerder had aangegeven. Een groot deel valt onder de VvE. Afgelopen jaar hebben alle eigenaren een extra bijdrage gedaan van €5000,00 voor het bekostigen van het vervangen van de waterleidingen. [gedaagde] heeft dit bedrag x 37 geïnvesteerd. Dit was een onvoorziene uitgave die niet was aangekondigd bij de aankoop van de appartementen.
2.8.
Op 4 november 2019 heeft de toenmalige beheerder aan [eiser] laten weten dat zijn schadeclaim niet op [gedaagde] of op de VvE kon worden verhaald.

3.De vordering

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.275,50 vermeerderd met € 191,33 aan incassokosten tevens vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag dat [gedaagde] in verzuim is en de proceskosten inclusief nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat hij schade heeft geleden aan zijn inboedel als gevolg van een ernstige lekkage. Deze schade kan worden toegerekend aan [gedaagde] nu de lekkage heeft kunnen ontstaan door al meerdere jaren bestaand achterstallig onderhoud. Op grond van artikel 7:208 BW Pro komt de schade daarom voor rekening van [gedaagde] . Daarnaast beroept [eiser] zich op artikel 6:174 BW Pro waaruit volgt dat [gedaagde] als eigenaar van de opstal risico-aansprakelijkheid draagt voor schade die het gevolg is van gebreken aan die opstal.

4.Het verweer

4.1.
[gedaagde] betwist de vordering (gedeeltelijk). Hij voert aan – samengevat – dat hij niet bekend was met achterstallig onderhoud aan de leidingen op het moment dat hij eigenaar van het gehuurde werd en dat hij vervolgens heeft bijgedragen aan het herstel. Hem kan dus geen verwijt worden gemaakt. Verder is het aan een huurder om zorg te dragen voor een afdoende inboedelverzekering waardoor eventuele schade gedekt wordt.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat hier om de gevolgschade van de wateroverlast die [eiser] heeft ondervonden. Volgens [eiser] is [gedaagde] aansprakelijk voor die gevolgschade, enerzijds in zijn hoedanigheid van verhuurder op grond van artikel 7:208 BW Pro en anderzijds als eigenaar van de opstal op grond van artikel 6:174 BW Pro.
5.2.
Voor wat betreft het beroep op artikel 7:208 BW Pro geldt dat nu de lekkage is ontstaan na het aangaan van de huurovereenkomst, [gedaagde] alleen aansprakelijk is voor de gevolgschade indien de lekkage aan hem is toe te rekenen. Volgens [eiser] is dat het geval omdat sprake was van langdurig achterstallig onderhoud betreffende de leidingennetwerk. [gedaagde] , althans zijn rechtsvoorgangers, zijn jarenlang in gebreke gebleven met het uitvoeren van onderhoud. [gedaagde] betwist dat hem een verwijt kan worden gemaakt.
5.3.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de waterschade bij [eiser] het gevolg was van een breuk in de leiding tussen de elfde en de twaalfde etage. De oorzaak lag dus buiten het gehuurde zelf. Waardoor de breuk is ontstaan, blijkt niet uit de overgelegde stukken. Nu [gedaagde] niet heeft betwist dat, zoals [eiser] heeft gesteld, de oorzaak van de breuk lag in achterstallig onderhoud, gaat ook de kantonrechter daarvan uit. Daarmee is de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de gevolgschade van [eiser] echter nog niet gegeven. De breuk deed zich immers voor buiten het gehuurde en in het leidingennetwerk dat niet eigendom is van [gedaagde] maar van de VvE. Het is dan ook niet [gedaagde] die gehouden was tot het plegen van onderhoud, maar de VvE. Het is blijkens de brief van MVGM van 7 september 2018, ook de VvE geweest die uiteindelijk tot vervanging van het leidingennetwerk is overgegaan.
[gedaagde] is weliswaar lid van de VvE (en dat gold ook voor zijn rechtsvoorgangers), maar hij kon en kan niet zonder instemming en/of medewerking van de VvE tot vervanging van of tot groot onderhoud aan het leidingennetwerk overgaan. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat de lekkage aan [gedaagde] was toe te rekenen. In zijn hoedanigheid van verhuurder is [gedaagde] dus niet aansprakelijk voor de door [eiser] geleden gevolgschade.
5.4.
Het beroep op artikel 6:174 BW Pro faalt ook. Uit het voorgaande volgt immers dat [gedaagde] niet de eigenaar is van de leiding waarin de breuk die tot de schade bij [eiser] heeft geleid. De eigenaar van de opstal in kwestie is de VvE zodat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de schade van [eiser] .
5.5.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal afwijzen.
5.6.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, kantonrechter en op 21 oktober 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter