ECLI:NL:RBNHO:2020:8376
Rechtbank Noord-Holland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens vermeende vooringenomenheid in familierechtzaak
In deze zaak heeft de advocaat van verzoekster tijdens een mondelinge behandeling een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken was bij twee aanhangige familierechtprocedures. Verzoekster stelde dat de rechter een vooringenomen en partijdige houding had aangenomen, met name door het trekken van conclusies over vermeend seksueel misbruik zonder voldoende dossieronderbouwing.
De rechter heeft dit betoog bestreden en toegelicht dat de vragen die zij stelde voortkwamen uit de door de advocaat zelf naar voren gebrachte feitelijkheden, die sterk in de richting van een beschuldiging van seksueel misbruik wezen. De wrakingskamer heeft de norm voor wraking getoetst aan de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen subjectieve en objectieve onpartijdigheid.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn dat de rechter jegens verzoekster vooringenomen is geweest. De actieve rol van de rechter in het burgerlijk proces rechtvaardigt het trekken van conclusies op basis van het betoog van partijen. Het subjectieve gevoel van verzoekster dat de rechter partijdig was, is niet objectief gerechtvaardigd. Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en is de procedure voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.