ECLI:NL:RBNHO:2020:8533

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 oktober 2020
Publicatiedatum
22 oktober 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3331
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:15 AwbArt. 8:38 AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Eiser heeft tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2016 en 2017 een beroepschrift ingediend, dat door verweerder is doorgezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep beoordeeld op ontvankelijkheid.

De rechtbank constateert dat eiser het griffierecht van €48 niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, ondanks twee aanmaningen per brief, waarvan de tweede aangetekend is verzonden en door eiser is afgehaald. Eiser heeft geen verontschuldiging voor het niet betalen gegeven.

Daarnaast is eiser ook in verzuim geweest om binnen de gestelde termijn een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft te overleggen. De rechtbank heeft eiser hierop gewezen, maar de brief is onbestelbaar retour gekomen en de daaropvolgende gewone post is onbeantwoord gebleven. Een brief van eiser bevatte niet de gevraagde informatie.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. van As op 30 oktober 2020 zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en het niet aanleveren van gevraagde stukken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 20/3331 en 20/3332

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2020 in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 6 mei 2020 tegen de beslissing op bezwaar van verweerder een tweede bezwaarschrift ingediend gericht tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2016 en 2017.
Verweerder heeft deze brief aangemerkt als beroepschrift en bij brief van 25 juni 2020 op grond van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter verdere behandeling aan deze rechtbank doorgezonden.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de bij de Awb behorende Regeling verlaagd griffierecht € 48. Op grond van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb moet het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dat het verschuldigd is, zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, is het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij brief van 4 juli 2020 eiser in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Eiser heeft niet gereageerd. Vervolgens heeft de griffier bij aangetekend verzonden brief van 2 augustus 2020 eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek bij PostNL heeft uitgewezen dat deze brief op 11 augustus 2020 is afgehaald. Eiser heeft niet gereageerd.
4. Eiser heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
5. Verder merkt de rechtbank op dat eiser, gelet op de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb, ook in verzuim is geweest binnen de gestelde termijn een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft over te leggen. Bij aangetekend verzonden brief van 21 juli 2020 is eiser gewezen op dit verzuim en is hij verzocht om het uiterlijk binnen vier weken na datum van verzending te herstellen. Deze brief is aan de rechtbank onbestelbaar geretourneerd. Nu gebleken is dat eiser ingeschreven stond op het op de brief vermelde adres als bedoeld in artikel 8:38, eerste lid, van de Awb, heeft de griffier voormelde brief overeenkomstig het bepaalde in dat artikellid daarom ter kennisname per gewone post nogmaals naar het bekende postadres verzonden. Eiser heeft niet gereageerd.
6. Op 14 september 2020 heeft verweerder een van eiser ontvangen brief van 1 september 2020 doorgestuurd. Deze brief bevat evenwel niet de gevraagde informatie.
7. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
8. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.