Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
Schatschaschwili tegen Duitsland(EHRM 15 december 2015, 9154/10), aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 4] als “sole or decisive” moet worden beschouwd. Nu [slachtoffer 4] zich als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris bij alle vragen op haar verschoningsrecht heeft beroepen, is er geen sprake geweest van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid voor de verdediging. Het desondanks gebruiken van de aangifte als bewijsmiddel levert een schending op van artikel 6 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat zich naast de aangifte van [slachtoffer 4] onvoldoende steunbewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4] en schadevergoedingsmaatregel
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
287 (tweehonderdzevenentachtig) dagen.
90 (negentig) dagen nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
3 (drie) jaren.
[slachtoffer 4]geleden schade tot een bedrag van
€ 500,00 (vijfhonderd euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[slachtoffer 4]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 500,00 (vijfhonderd euro).Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal
10 (tien) dagen.De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.