ECLI:NL:RBNHO:2020:8875
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning in geschil tussen eigenaar en heffingsambtenaar
Eiseres, eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning te [Z], betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van haar woning per 1 januari 2018. Verweerder stelde aanvankelijk een waarde van €722.000 vast en verlaagde deze in bezwaar naar €660.000. Eiseres betoogde dat de waarde te hoog was, onder meer door verwijzing naar lagere waarderingen van vergelijkbare woningen en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet voldoende heeft onderbouwd waarom de waarde van €660.000 correct is, met name vanwege onduidelijkheid over de berekening van de grondwaarde en het ontbreken van een grondstaffel. Ook de door eiseres voorgestelde waarde tussen €522.000 en €572.000 is onvoldoende onderbouwd. Gezien het ontbreken van aannemelijke waardebepalingen van beide partijen, stelt de rechtbank de waarde zelf vast op €620.000.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, wijzigt de beschikking en vermindert de aanslag onroerende-zaakbelasting dienovereenkomstig. Verweerder wordt opgedragen het griffierecht aan eiseres te vergoeden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €620.000 en de aanslag onroerende-zaakbelasting dienovereenkomstig verminderd.