Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2020 in de zaken tussen
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
40 Uitbetaling Algemene Heffingskorting
-/- € 21.268 en dat zij een bedrag van (loonheffing + uitbetaling heffingskorting(en), zijnde: € 2.556 + € 3.230 =) € 5.786 ontvangt. Verweerder heeft hierbij bovendien het volgende medegedeeld:
“Deze aanslag is voorlopig
40 Uitbetaling Algemene Heffingskorting
-/- € 11.652 en dat zij een bedrag van (loonheffing + uitbetaling heffingskorting(en), zijnde: € 1.439 + € 3.622 =) € 5.061 ontvangt. Verweerder heeft hierbij bovendien het volgende medegedeeld:
“Deze aanslag is voorlopig
Gelet hierop zal de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II gegrond verklaren en laatstgenoemd besluit vernietigen.
De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het in deze zaak betaalde griffierecht aan eiseres dient te vergoeden.
Beslissing
- verklaart het verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II;
- laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II geheel in stand;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit I ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 10,16 en
- draagt verweerder op het in de zaak met nummer HAA 20/2863 betaalde griffierecht van € 48 aan eiseres te vergoeden.
R. van der Vecht, griffier, op 9 november 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.