Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 november 2020 in de zaken tussen
[X] , wonende te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Gelet op de hiervoor vermelde (dwingendrechtelijke) wettelijke bepalingen heeft verweerder deze in augustus ontvangen alimentatie naar het oordeel van de rechtbank terecht aangemerkt als zijnde eerst in augustus 2018 ontvangen alimentatie (artikel 3.146, eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001). De omstandigheid dat een bescheiden deel van de ontvangen alimentatie, gelet op de grootte ervan, valt onder een ander belastingtarief, maakt dit niet anders. Overigens bevat de Wet IB 2001 geen bepaling op grond waarvan het bedrag buiten het inkomen (box 1 en box 3) kan blijven. Eiseres andersluidende verzoek mist steun in het recht.
Beslissing
R. van der Vecht, griffier, op 9 november 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.