ECLI:NL:RBNHO:2020:9747
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot heropening bedrijfspand na overtreding noodverordening COVID-19
Verweerder, de voorzitter van de veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland, sloot op 2 april 2020 het bedrijfspand van verzoeker vanwege overtreding van de noodverordening COVID-19. De sluiting werd aanvankelijk vastgesteld tot 28 april 2020 en later verlengd tot 20 mei 2020. Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om het pand te heropenen.
De politie rapporteerde dat er op 30 maart en 1 april 2020 meerdere personen aanwezig waren in het pand, waar ook shishapijpen werden aangetroffen. Dit vormde een verboden samenkomst volgens artikel 2.1 van de noodverordening. Verzoeker gaf aan dat het om een niet-commerciële bijeenkomst ging, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat dit niet relevant was voor het samenkomstverbod.
Hoewel verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd op grond van welke bevoegdheid het pand werd gesloten, ging de voorzieningenrechter ervan uit dat de bevoegdheid op basis van artikel 174a van de Gemeentewet kon worden aangenomen. De sluiting werd niet als onevenredig beschouwd gezien het belang van het beteugelen van het coronavirus.
Verzoeker kon niet aannemelijk maken dat hij door de sluiting in financiële nood verkeert en er was geen spoedeisend belang om het pand eerder te heropenen. Daarom werd het verzoek afgewezen. Verweerder moet bij eventuele verlenging van de sluiting de motivering verbeteren en relevante omstandigheden in kaart brengen.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tot heropening van het bedrijfspand wordt afgewezen.