Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
2.Feiten
3.De vordering en het verweer
4.De beoordeling
5.De beslissing
rolzitting van 8 december 2021 te 10:00 uur;
Rechtbank Noord-Holland
In deze civiele zaak heeft eiser verzet ingesteld tegen een verstekvonnis waarin hij werd veroordeeld tot betaling van een onbetaalde factuur van €450,- vermeerderd met rente en kosten. De oorspronkelijke procedure startte in 2011, waarbij eiser niet verscheen en bij verstek werd veroordeeld. Eiser betwistte in het verzet onder meer de hoogte van de vordering en stelde niet op de hoogte te zijn geweest van de procedure.
De kantonrechter onderzocht of het verzet tijdig was ingediend. Volgens artikel 143 lid 3 en Pro artikel 144 sub b Rv Pro gaat de verzettermijn lopen bij de eerste uitbetaling uit een derdenbeslag. Gedaagde stelde dat deze datum 25 februari 2021 was, toen de eerste betaling uit het beslag op de TOZO-uitkering van eiser plaatsvond. Eiser betwistte dit en voerde aan dat hij niet op het adres verbleef waar de betekening plaatsvond en dat hij daardoor niet tijdig op de hoogte was.
De rechter oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet op de hoogte was van het vonnis en de beslagen, mede omdat hij jarenlang op het adres stond ingeschreven. Dit leidde tot de conclusie dat de verzettermijn terecht op 25 februari 2021 is aangevangen. Omdat het verzet pas daarna werd ingesteld, is het te laat. De kantonrechter stond gedaagde toe bewijs te leveren over de datum van eerste uitbetaling en hield verdere beslissing aan.
De zaak is verwezen naar een rolzitting voor bewijslevering, waarbij gedaagde stukken moet overleggen of getuigen kan opgeven. Uitstel wordt in beginsel niet verleend. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter W. Aardenburg.
Uitkomst: Het verzet is te laat ingediend en de kantonrechter houdt verdere beslissing aan totdat bewijs is geleverd over de eerste uitbetaling uit het derdenbeslag.