Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De gronden van de beslissing
.
Rechtbank Noord-Holland
Deze zaak betreft een vordering van eiser tot betaling van €10.000,- op grond van een vermeende overnameovereenkomst van zijn bedrijf door gedaagde. De kantonrechter stelt vast dat eiser onjuiste en onware feiten heeft aangevoerd, waaronder het ontkennen van eerdere correspondentie en verweer van gedaagde. Hierdoor is de waarheidsverplichting geschonden zoals voorgeschreven in artikel 21 en Pro artikel 111 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Daarnaast heeft eiser de overeenkomst zelf buitengerechtelijk ontbonden met een brief van zijn advocaat in mei 2020, waardoor nakoming niet meer kan worden gevorderd. Een wijziging van eis ter zitting, gericht op schadevergoeding, wordt buiten beschouwing gelaten wegens te late en niet schriftelijke indiening en strijd met de goede procesorde.
De kantonrechter veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten en nakosten, maar wijst de vordering af. Er is geen sprake van misbruik van recht, zodat de proceskosten worden vastgesteld volgens het normale liquidatietarief. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens schending van de waarheidsverplichting en ontbinding van de overeenkomst door eiser.