Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[passagier sub 1]
[passagier sub 2], pro se en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger voor zijn minderjarige kind
[minderjarige 1]
[passagier sub 3] ,wonende te [woonplaats]
[passagier sub 4] ,wonende te [woonplaats]
[passagier sub 5]
[passagier sub 6]
[passagier sub 7] ,pro se en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger voor zijn minderjarige kind
[minderjarige 2]
[passagier sub 8]
1.Het procesverloop
- het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 25 september 2020;
- het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 2 december 2020;
- akte houdende overlegging producties aan de zijde van de passagiers op 26 januari 2021.
2.De feiten
3.Het verzoek en het verweer
- primair € 726,00, subsidiair € 635,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 november 2018;
- de proceskosten, nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.De beoordeling
dat een stakingsactie die is begonnen na de oproep daartoe van een vakbond voor het personeel van een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, waarbij de voorwaarden van de nationale wettelijke regeling en in het bijzonder de daarin bepaalde aanzegtermijn worden geëerbiedigd, die ertoe dient de eisen van de werknemers van deze luchtvaartmaatschappij kracht bij te zetten en waarbij zich een personeelscategorie heeft aangesloten die nodig is voor de uitvoering van een vlucht, niet onder het begrip „buitengewone omstandigheid” in de zin van deze bepaling valt.” Gesteld noch gebleken is dat de vakbonden niet de aanzegtermijn hebben geëerbiedigd op grond van de nationale wettelijke regeling. Dat de vervoerder zich heeft ingespannen om de stakingen te vermijden door in gesprek te gaan met de vakbonden, hetgeen overigens niet nader is onderbouwd, maakt dit niet anders. De vervoerder heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat de staking van het eigen personeel in dit specifieke geval moet worden aangemerkt als een buitengewone omstandigheid. De vordering van de passagiers op grond van artikel 7 van Pro de Verordening wordt toegewezen.
Het primair verzochte bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het verzochte bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 635,25 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.