Flightright vorderde compensatie voor een passagier die door vertraging op de vlucht van Hannover naar Amsterdam-Schiphol zijn aansluitende vlucht naar Rennes miste en meer dan drie uur te laat aankwam. De passagier had zijn vorderingsrecht aan Flightright overgedragen. De vervoerder, KLM Cityhopper, stelde dat de vertraging werd veroorzaakt door buitengewone omstandigheden, namelijk door een CTOT (Calculated Take Off Time) opgelegd door Eurocontrol vanwege restricties op de luchthaven van bestemming.
De kantonrechter stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de passagier inderdaad met meer dan drie uur vertraging aankwam, wat normaal gesproken compensatieplichtig is. De vervoerder toonde aan dat de vertraging het gevolg was van een door de luchtverkeersleiding opgelegde CTOT, een buitengewone omstandigheid waarop de vervoerder geen invloed had. Tevens had de vervoerder de passagier omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht.
De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te beperken en dat de minimale overstaptijd van 40 minuten op Schiphol onvoldoende was om de aansluitende vlucht te halen bij een vertraging van 50 minuten. De vordering tot compensatie werd daarom afgewezen. Flightright werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.