ECLI:NL:RBNHO:2021:10286

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 november 2021
Publicatiedatum
12 november 2021
Zaaknummer
HAA 21/733V
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak inzake Wob-verzoek en gedragsaanwijzing ongegrond verklaard

Opposant had beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van Purmerend over zijn zienswijze op een gedragsaanwijzing. De rechtbank had dit beroep kennelijk gegrond verklaard en het college opgedragen alsnog een besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak stelde opposant verzet in en voerde aan dat het verzoek niet als een Wob-verzoek moest worden aangemerkt, maar als een verzoek tot inzage van het procesdossier, met beroep op het McMichael-arrest van het Europese Hof van Justitie en het beginsel van hoor en wederhoor. Tevens vorderde opposant de vaststelling van een verbeurde dwangsom en verstrekking van alle relevante stukken, inclusief beeld- en audiomateriaal.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek terecht als een Wob-verzoek was aangemerkt en dat het beroep gegrond was. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard. Ook werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor hoger beroep of verder verzet.

Uitkomst: Het verzet tegen de eerdere uitspraak wordt ongegrond verklaard en de uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/733V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2021op het verzet van

[opposant] , te [woonplaats] , opposant.

(gemachtigde: H. Zijlstra)

Procesverloop

Opposant heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (hierna: het college) op zijn zienswijze tegen het voornemen gedragsaanwijzing van 10 oktober 2020.
Bij uitspraak van 18 mei 2021 heeft de rechtbank dat beroep kennelijk gegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2021. Opposant is aldaar met zijn gemachtigde verschenen. Namens het college is niemand verschenen
.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht en het college opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is.
3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de rechtbank ten onrechte meent dat het gaat om een Wob-verzoek. Opposant stelt dat hij recht heeft op alle op de zaak betrekking hebbende stukken als belanghebbende op grond van het McMichael arrest van het EHvJ dan wel in het kader van het beginsel van hoor en wederhoor. Op grond van voorstaande dient de rechtbank alsnog de verbeurde dwangsom vast te stellen en het college op te dragen alsnog alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen aan opposant. Daarnaast heeft opposant recht op niet zwartgemaakte stukken waardoor hij nog steeds niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft verkregen. De rechter dient een termijn onder een last onder dwangsom op te leggen voor de verstrekking van deze stukken. Het college heeft tot op heden niet voldaan aan de uitspraak van de rechtbank inzake de proceskosten en griffierecht.
4. Ter zitting heeft opposant toegelicht waarom hij van mening is de rechtbank in haar uitspraak van 18 mei 2021 ten onrechte geen verbeurde dwangsom heeft vastgesteld. Opposant heeft het college immers in gebreke gesteld en onderhavig beroep is geen Wob-verzoek maar een verzoek tot verkrijgen van het procesdossier. Opposant bevestigt dat dit beroep niet gaat over een AVG verzoek. Opposant heeft een verzoek gedaan tot verkrijgen van zijn hele procesdossier bestaande uit stukken en beelden.
5. Op 3 oktober 2020 vernam opposant het voornemen tot gedragsaanwijzing. Op 10 oktober 2020 heeft de gemachtigde van opposant het volgende verzoek bij het college ingediend :
Qua inhoud van deze gedragsaanwijzing valt het volgende op. Er is schijnbaar een dossier opgebouwd vanaf 2017 en de gemeente beschikt over audio en beeldmateriaal waarop zij deze gedragsaanwijzing mede onderbouwen. Mijn client heeft ingevolge de AVG en het MC Michael arrest van het Europese Hof van Justitie recht op deze stukken alvorens hij daarop zijn zienswijze kan geven, Ik verzoek u dan om aan mij, de gemachtigde, alle op de zaak betrekking hebbende stukken inclusief het beeld en audio materiaal te doen toekomen en aan ons dan een redelijke termijn te geven voor het bestuderen van deze stukken alvorens wij onze zienswijze indienen. Daarnaast meen ik thans vast te stellen dat de gemeente gebruik maakt van beelden van een illegale camera die de privacy van mijn client dus schijnbaar al 3 jaar aantast waarvoor ik u middels dit bericht aansprakelijk stel en indien u niet per direct overgaat tot het doen laten verwijderen van de illegale camera’s op nr’s [# 1] en [# 2] dan zal dit tevens leiden tot een schadeclaim omdat u kennis heeft van illegale praktijken en daar gebruik van heeft gemaakt waardoor u mede aansprakelijk bent voor de schade die daaruit voortvloeit.
De verzetrechter overweegt als volgt. Gelet op de strekking van dit verzoek heeft de rechtbank dit verzoek terecht als een Wob-verzoek aangemerkt. Indien opposant al gevolgd zou moeten worden in zijn stelling dat hij enkel zijn procesdossier heeft opgevraagd, zou het nog maar de vraag zijn of er sprake zou zijn van een aanvraag als artikel 1:3 van Pro de Awb, op grond waarvan de rechtbank een beslistermijn en een dwangsom heeft kunnen opleggen.
6. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak op goede gronden geoordeeld dat het beroep gegrond is en terecht heeft afgezien van het vaststellen van een verbeurde dwangsom nu het verzoek van opposant terecht is aangemerkt als een Wob-verzoek. Het verzet tegen die uitspraak moet daarom ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.