Uitspraak
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het standpunt van belanghebbenden
5.De beoordeling
6.De beslissing
Amsterdam
Rechtbank Noord-Holland
De gecertificeerde instelling (GI) verzocht op 29 december 2020 om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds 18 december 2020 vrijwillig uit huis was geplaatst vanwege de ernstige blessure van de moeder en de daaruit voortvloeiende zorgen over de zorg en opvoeding. De moeder was tijdelijk invalide en gebruikte zware pijnmedicatie, waardoor de thuissituatie verslechterde en de minderjarige zijn vaste structuur verloor.
De moeder betwistte het verzoek en stelde dat de GI niet de juiste procedure had gevolgd, omdat de uithuisplaatsing al plaatsvond voordat de machtiging was aangevraagd. Zij gaf aan dat haar gezondheid inmiddels verbeterd is, zij geen pijnmedicatie meer gebruikt, zich kan verplaatsen met een rolstoel en voldoende ondersteuning krijgt van haar netwerk.
De kinderrechter oordeelde dat de GI niet had voldaan aan artikel 1:265a BW door de minderjarige vrijwillig uit huis te plaatsen zonder voorafgaande machtiging. Een machtiging met terugwerkende kracht is volgens de wet niet mogelijk. Ex nunc getoetst is de thuissituatie van de moeder verbeterd en zijn er voldoende alternatieven om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen. Daarom werd het verzoek tot machtiging afgewezen.
De kinderrechter benadrukte dat de moeder verantwoordelijk is voor het organiseren van goede zorg en dat de GI vrij is een spoedmachtiging te verzoeken indien de situatie verslechtert. Het vonnis werd op 13 januari 2021 uitgesproken en op 8 februari 2021 schriftelijk vastgesteld.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen wegens verbeterde thuissituatie en ontbreken van wettelijke grondslag voor terugwerkende machtiging.