Opposante heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de gevraagde machtiging en het ondertekende beroepschrift niet binnen de gestelde termijn waren ingediend. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring stelde opposante verzet in.
De rechtbank beoordeelt in deze verzetzaak of het buiten redelijke twijfel staat dat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Opposante voerde aan dat zij vanwege vakantieperiodes niet tijdig kon voldoen aan de termijnen en dat telefonisch contact op 8 september 2021 positief was over de voortgang van de zaak. De rechtbank oordeelt echter dat de machtiging en het beroepschrift pas na de hersteltermijn zijn ingediend en dat er geen verzoek om uitstel was gedaan.
De rechtbank benadrukt dat de termijnen uit de Awb dwingend en van openbare orde zijn en dat financiële belangen geen reden zijn om niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten. Daarom blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand en wordt het verzet ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.