Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
hij op of omstreeks 18 februari 2019 te Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] - die zich op straat bevond - onder bedreiging van een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp - vast te grijpen en/of een auto in te trekken en/of gedurende twintig tot dertig minuten, althans gedurende enige tijd met die [slachtoffer] in die auto rond te rijden (waarbij die [slachtoffer] werd mishandeld), waarna die [slachtoffer] uiteindelijk die auto werd uitgezet;
hij op of omstreeks 18 februari 2019 te Zaandam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (met voorbedachte rade), [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (meerdere malen) met (een van) zijn/hun handen/vuisten en/of met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp in het gezicht en/of op het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of die [slachtoffer] een kopstoot in het gezicht te geven (waardoor die [slachtoffer] een gebroken neus opliep).
2.Voorvragen
3.Inleiding
4.Standpunten van partijen
persoonskenmerken. Integendeel, een muts maakt het herkennen van een persoon juist moeilijker en het dragen van handschoenen (in de winter) is dermate algemeen dat daarop geen herkenning kan worden gebaseerd. De redenering van de officier van justitie dat de persoon die later bij [slachtoffer] in de auto is gestapt (de man met de handschoenen) de verdachte moet zijn, volgt de rechtbank daarom niet.
Ten aanzien van dat laatste stelt de rechtbank vast dat er meerdere feiten en omstandigheden zijn die de herkenning van de aangever falsificeren dan wel onbetrouwbaar maken, namelijk dat het ten tijde van het incident donker was, er sprake was van een panieksituatie en dat de aangever slechts een korte waarneming heeft kunnen doen omdat hij (zoals hij zelf heeft verklaard) direct is weggerend voor de man die achter hem aankwam. Hij zou verdachte hebben herkend toen hij al wegrennend achterom keek. Ook de omstandigheid dat de aangever een langlopend conflict had met de zoon van de verdachte, waarbij het daags voor het incident tot een handgemeen is gekomen, kan de verklaring van de aangever falsificeren. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat [aangever] feiten en omstandigheden is gaan invullen om tot een logisch/sluitend verhaal te komen.