Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De vordering
4.De beoordeling in het incident
5.De beslissing
woensdag 3 maart 2021voor repliek;
Rechtbank Noord-Holland
Op 26 mei 2015 constateerde Rijkswaterstaat dat het schip van eiser zonk en legde spoedeisende bestuursdwang op om verontreiniging van het oppervlaktewater te voorkomen. Eiser deed afstand van het schip vanwege gebrek aan verzekering en financiële middelen. Op 17 juni 2015 werd het schip afgevoerd en vernietigd.
Eiser vordert in de hoofdzaak dat Rijkswaterstaat wordt veroordeeld tot betaling van € 25.000,00 wegens onrechtmatige daad door onteigening en vernietiging van het schip zonder compensatie. Rijkswaterstaat betwist de rechtsgrond en voert aan dat de kantonrechter niet bevoegd is, omdat de vordering hoger zou zijn dan € 25.000,00.
In het incident tot onbevoegdverklaring oordeelt de kantonrechter dat eiser zijn vordering heeft beperkt tot € 25.000,00 en dat er geen aanwijzingen zijn dat de waarde hoger is. Daarom is de kantonrechter bevoegd en wordt het verzoek van Rijkswaterstaat afgewezen. Rijkswaterstaat wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.
Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich bevoegd en wijst het verzoek tot onbevoegdverklaring van Rijkswaterstaat af.