ECLI:NL:RBNHO:2021:10811

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 november 2021
Publicatiedatum
24 november 2021
Zaaknummer
C/15/319856 / HA ZA 21-476
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verstrekking definitieve vermogensopstelling nalatenschap

In deze civiele procedure staat centraal of eiseres verplicht is de definitieve vermogensopstelling van de nalatenschap van haar overleden vader aan gedaagde te verstrekken. Gedaagde, die eiseres heeft bijgestaan bij de afwikkeling van de nalatenschap, vordert dit omdat zij meer inzicht wil krijgen in de schadeberekening die eiseres heeft opgesteld op basis van een aangifte erfbelasting.

Eiseres heeft de nalatenschap zuiver aanvaard en stelt dat gedaagde een beroepsfout heeft gemaakt door haar te adviseren tot zuivere aanvaarding. Zij betwist dat zij verplicht is het gevorderde document te verstrekken, temeer omdat dit document inmiddels al aan gedaagde is overhandigd na het aanhangig maken van het incident. De rechtbank overweegt dat de vordering ex artikel 843a Rv alleen toewijsbaar is indien aan cumulatieve voorwaarden is voldaan, waaronder het rechtmatig belang en het feit dat de wederpartij over de bescheiden beschikt.

Omdat gedaagde de definitieve aangifte erfbelasting inmiddels heeft ontvangen, bestaat er geen belang meer bij de vordering tot verstrekking van het document. Wel veroordeelt de rechtbank eiseres in de proceskosten van het incident, omdat zij het document pas na het incident aan gedaagde heeft verstrekt, ondanks eerdere verzoeken. Tevens wijst de rechtbank het verzoek van gedaagde om een langere termijn voor het indienen van een conclusie van antwoord af. De zaak wordt aangehouden tot de conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

Uitkomst: De vordering tot verstrekking van de definitieve vermogensopstelling wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/319856 / HA ZA 21-476
Vonnis in incident van 24 november 2021
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. M.A. le Belle te Alkmaar,
tegen
de maatschap
[gedaagde],
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. T.M. Munnik en mr. M.D. Meerkerk-van den Boogaard te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
De zaak in het kort
Aan de orde is de vraag of [eiseres] bevolen moet worden om de definitieve vermogensopstelling van de afwikkeling van de nalatenschap van haar vader ter beschikking te stellen aan [gedaagde] . De rechtbank is van oordeel dat dat niet hoeft en wijst de incidentele vordering af, omdat [eiseres] het document al aan [gedaagde] heeft verstrekt. Wel wordt [eiseres] veroordeeld in de onnodig veroorzaakte kosten van deze procedure.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 20 juli 2021 met producties;
  • de incidentele conclusie houdende vordering tot het overleggen van bescheiden ex artikel 843a Rv
- de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv van 27 oktober 2021 met producties van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten en het geschil in de hoofdzaak

2.1.
[gedaagde] heeft [eiseres] bijgestaan in de afwikkeling van de nalatenschap van haar op 22 september 2020 overleden vader. [eiseres] heeft die nalatenschap zuiver aanvaard.
2.2.
[eiseres] voert in de hoofdzaak – samengevat en voor zover in dit incident van belang – het volgende aan. [gedaagde] heeft een beroepsfout gemaakt door haar te adviseren de nalatenschap van haar vader zuiver te aanvaarden. Daarbij heeft [gedaagde] namelijk een schuld over het hoofd gezien, bestaande uit de niet uitbetaalde erfdelen van [eiseres] en haar broer uit de nalatenschap van hun in 2002 overleden moeder. Rekening houdend met die schuld, blijkt de nalatenschap van vader onvoldoende vermogen te bevatten om de legaten in zijn testament te voldoen. Door zuiver te aanvaarden is [eiseres] met haar privévermogen aansprakelijk geworden voor de nakoming van die legaten. Om de hieruit voortvloeiende schade te beperken heeft zij haar verplichtingen jegens een van de legatarissen bij vaststellingsovereenkomst afgekocht. In deze procedure wil zij (onder meer) de in dat verband betaalde afkoopsom vergoed zien.
2.3.
[gedaagde] heeft in de hoofdzaak nog niet voor antwoord geconcludeerd.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
[gedaagde] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[eiseres] veroordeelt tot het verstrekken van een afschrift van de definitieve vermogensopstelling van de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van [eiseres] , althans stukken waaruit de onderbouwing van de definitieve afwikkeling van de nalatenschap van de vader van [eiseres] volgt;
een dwangsom verbindt aan het niet voldoen aan het onder 1. gevorderde;
[eiseres] veroordeelt in de kosten van dit incident.
3.2.
[gedaagde] legt hieraan – kort gezegd – het volgende aan ten grondslag. Voordat zij in de hoofdzaak verweer kan voeren, is het voor haar van belang om meer inzicht te krijgen in de schadeberekening van [eiseres] . Die schadeberekening is opgesteld aan de hand van slechts een
conceptaangifte erfbelasting. [gedaagde] beschikt daarmee niet over stukken aan de hand waarvan zij kan concluderen wat het vermogen van de nalatenschap van de vader van [eiseres] werkelijk is. Zij heeft een definitieve vermogensopstelling van de afwikkeling van de nalatenschap nodig ter onderbouwing van de door haar in de hoofdzaak te voeren verweren:
  • i) dat de nalatenschap van de vader van [eiseres] niet negatief is en de legaten (deels) konden worden voldaan uit de nalatenschap; en
  • ii) dat de door [eiseres] aangegane vaststellingsovereenkomst haar beweerdelijke schade niet heeft beperkt.
[gedaagde] voegt daaraan toe dat zij genoodzaakt was dit incident aanhangig te maken, omdat [eiseres] desgevraagd heeft geweigerd de opgevraagde bescheiden te verstrekken.
3.3.
[eiseres] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.
Zij is niet ingegaan op het eerdere verzoek om de definitieve aangifte te verschaffen, omdat zij klaar was met de vruchteloze pogingen die zij reeds had ondernomen om met [gedaagde] in gesprek te raken.
Bij het nu opgeworpen incident bestaat geen rechtmatig belang. [gedaagde] gaat voorbij aan het feit dat de eisende partij de gestelde schade moet onderbouwen. Dit betekent dat [gedaagde] de gevorderde gegevens op tafel had kunnen krijgen door in de hoofdzaak een verweer te richten op het gebrek aan onderbouwing van de schade. Voor de deugdelijkheid van dat verweer is het niet nodig dat [gedaagde] reeds in dit (voor)stadium over de definitieve aangifte beschikt.
Verder geldt dat eerst werd betoogd dat de stukken nodig waren om een minnelijke regeling in overweging te nemen, terwijl [gedaagde] nu aangeeft aan de hand van de aangifte te willen beoordelen of het aangaan van de vaststellingsovereenkomst noodzakelijk was.
Wat ook van het voorgaande zij: de definitieve aangifte is inmiddels aan [gedaagde] verstrekt, maar zij bleek niet bereid de vordering in te trekken.
3.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 843a lid 1 Rv verbindt de toewijsbaarheid van een vordering tot afschrift van bescheiden aan vier cumulatieve voorwaarden: de eiser moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, het moet gaan om bepaalde bescheiden, die bescheiden moeten zien op een rechtsbetrekking waarin eiser partij is en de wederpartij moet over de bescheiden beschikken.
3.5.
Uit de door [eiseres] overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de definitieve aangifte erfbelasting op 19 oktober 2021 naar [gedaagde] is gestuurd en ook door [gedaagde] is ontvangen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de vordering van [gedaagde] betrekking heeft op andere informatie dan die aangifte. Met [eiseres] is de rechtbank daarom van oordeel dat het feit dat [gedaagde] de aangifte inmiddels toegestuurd heeft gekregen, maakt dat er geen belang (meer) bestaat bij de vordering tot afschrift. Deze vordering moet daarom worden afgewezen, net als de daarmee samenhangende dwangsom.
3.6.
Hoewel de incidentele vordering wordt afgewezen, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] moet worden veroordeeld in de kosten van het incident. Zij heeft de definitieve aangifte immers pas verstrekt na het instellen van dit incident door [gedaagde] , terwijl [gedaagde] daar al eerder om had verzocht. Daar komt bij dat de overige door [eiseres] aangevoerde omstandigheden op zichzelf niet de conclusie kunnen dragen dat [gedaagde] geen recht zou hebben op een afschrift van de aangifte. Zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a Rv ook aanwezig kan zijn als de opgevraagde bescheiden van belang zijn voor het onderbouwen van een verweer. [2] Dit uitgangspunt is ook in de jurisprudentie aanvaard. [3] [eiseres] heeft daarnaast geen onderbouwing gegeven voor haar stelling dat [gedaagde] ook zonder de definitieve aangifte een deugdelijk verweer had kunnen voeren.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat [gedaagde] in haar verzoek voorafgaande aan deze procedure verder dezelfde reden noemt voor het opvragen van de aangifte als in haar incidentele conclusie, namelijk dat zij meer inzicht wenst te krijgen in de schadeberekening van [eiseres] .
3.7.
Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] dit incident nodeloos heeft veroorzaakt, zodat zij in de kosten daarvan moet worden veroordeeld. De kosten aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 563 (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat.

4.De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.
[gedaagde] verzoekt de rechtbank te bepalen dat haar een nader, op de incidentele vordering ex artikel 843a Rv afgestemde, te bepalen termijn zal worden gegund voor het nemen van de conclusie van antwoord in de hoofdzaak.
4.2.
Voor zover [gedaagde] hiermee verzoekt om haar in afwijking van het procesreglement een langere termijn dan zes weken na dit vonnis te geven voor het indienen van een conclusie van antwoord, wordt dit verzoek afgewezen. [gedaagde] heeft geen gronden aangevoerd voor dit verzoek en heeft op de dag waarop dit vonnis wordt uitgesproken bovendien al langer dan een maand de beschikking gehad over de door haar opgevraagde aangifte. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van de in het procesreglement neergelegde termijn.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst het gevorderde af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 563,00,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
5 januari 2022voor conclusie van antwoord,
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2021.

Voetnoten

1.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 188.
3.Zie bijvoorbeeld Hof 's-Hertogenbosch 21 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3191.