ECLI:NL:RBNHO:2021:10821

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 november 2021
Publicatiedatum
25 november 2021
Zaaknummer
C/15/307439 / HA ZA 20-593
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 RvArt. 30g RvArt. 4:202 lid 1 onder a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing oproepen erfgenamen in geding bij verdeling nalatenschap en onroerende zaken

In deze civiele procedure gaat het om een incident betreffende het oproepen van de vier kinderen van de overleden echtgenoot van eiseres als derden in het geding. De nalatenschap is nog niet verdeeld en betreft mede-eigendom van onroerende zaken die onderwerp zijn van het geschil.

Gedaagde verzoekt de rechtbank om de kinderen in het geding te roepen op grond van artikel 30g Rv, maar dit artikel is niet van toepassing in deze procedure. De rechtbank stelt vast dat artikel 118 Rv Pro wel van toepassing is voor het oproepen van derden. Eiseres voert aan dat zij executeur is en namens haar kinderen kan optreden, ondersteund door een verklaring van erfrecht en een boedelvolmacht van de meerderjarige kinderen.

De rechtbank oordeelt dat eiseres voldoende procesbevoegdheid heeft om namens haar kinderen op te treden, ook voor de minderjarige kinderen als wettelijk vertegenwoordiger. Het verzoek van gedaagde wordt daarom afgewezen. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. De hoofdzaak wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling in januari 2022.

Uitkomst: Het verzoek om de kinderen als derden in het geding te roepen wordt afgewezen omdat de executeur namens hen kan optreden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/307439 / HA ZA 20-593
Vonnis in incident van 24 november 2021 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het voorwaardelijk incident,
advocaat mr. K.A. Cerutti te Hoorn Nh,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiser in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,
eiser in het voorwaardelijk incident,
advocaat mr. B.J.H. Kesnich te Amsterdam.
Partijen zullen hierna “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ” genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding,
  • de akte overleggen deskundigenbericht en verzoek procedure op de rol voor antwoord van de zijde van [eiseres] ,
  • de conclusie van voorwaardelijke eis in incident, tevens antwoord in conventie, tevens conclusie van voorwaardelijke eis in reconventie, en
  • de conclusie van antwoord in het voorwaardelijke incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Feiten

2.1.
[eiseres] is gehuwd geweest met [xxx] (hierna: [xxx] ). [xxx] is overleden op [datum] . Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren, twee van de kinderen zijn inmiddels meerderjarig.
2.2.
[gedaagde] en [xxx] waren samen vennoten in de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam] . (hierna: de vof). Doel van de vof was de exploitatie van een bloembollenbedrijf. Na het overlijden van [xxx] is [eiseres] op 13 april 2015 vennoot geworden in de vof in plaats van [xxx] .
2.3.
[gedaagde] en [xxx] waren gezamenlijk eigenaar van diverse aaneengesloten percelen grond gelegen in [plaats] aan de [straatnaam] (hierna gezamenlijk: de onroerende zaken). Deze onroerende zaken waren deels ingebracht in de vof.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
[gedaagde] vordert dat [eiseres] als eiser in de hoofdzaak in de gelegenheid wordt gesteld om haar vier kinderen in het geding op te roepen. Ter onderbouwing van deze vordering beroept [gedaagde] zich op de exceptio plurium litis consortium (in het Nederlands: “de processueel ondeelbare rechtsverhouding”) met betrekking tot de onroerende zaken. [eiseres] en haar kinderen zijn de erfgenamen van de nalatenschap van [xxx] . Deze nalatenschap is nog niet verdeeld. De nalatenschap is mede-eigenaar van de onroerende zaken.
3.2.
[eiseres] voert verweer. Zij wijst op de verklaring van erfrecht van 10 september 2021 waaruit blijkt dat zij executeur is in de nalatenschap van [xxx] . Zij heeft daarom volledige procesbevoegdheid.
3.3.
[gedaagde] baseert zijn vordering op artikel 30g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Dit artikel geldt echter alleen bij vorderingsprocedures bij de Hoge Raad en dus niet in deze zaak. In artikel 118 Rv Pro is geregeld op welke manier derden als partij in een geding kunnen worden opgeroepen. De rechtbank begrijpt de incidentele vordering van [gedaagde] aldus dat hij een beroep doet op artikel 118 Rv Pro.
3.4.
De vorderingen in conventie en reconventie in de hoofdzaak zien op afwikkeling van de vof en de verdeling van de gemeenschappelijke onroerende zaken. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] zijn incidentele vordering enkel instelt met betrekking tot de verdeling van de onroerende zaken.
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen omdat [eiseres] de kinderen in rechte kan vertegenwoordigen. De rechtbank baseert zich daarbij op de volgende overwegingen.
3.6.
Ter onderbouwing van haar procesbevoegdheid om namens haar kinderen op te treden verwijst [eiseres] naar de verklaring van erfrecht van 10 september 2021. In deze verklaring is, voor zover van belang, opgenomen dat:
[eiseres] en de kinderen enig erfgenamen zijn van [xxx] ,
de nalatenschap door [eiseres] zuiver en door de kinderen beneficiair is aanvaard,
op grond van artikel 4:202 lid 1 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de erfgenamen vrijgesteld zijn van de verplichting te vereffenen als de executeur kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots voldoende zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen,
[eiseres] in het testament tot executeur is benoemd en zij deze benoeming heeft aanvaard,
de twee oudste kinderen verklaard hebben dat zij bij het bereiken van de leeftijd van achttien jaar een boedelvolmacht aan [eiseres] geven op grond waarvan [eiseres] onder meer roerende en onroerende zaken kan verkopen en leveren op de wijze, onder de voorwaarden en tegen de prijzen die zij raadzaam zal achten en ook mee kan werken tot verdeling, en
[eiseres] , handelend voor zich, in haar hoedanigheid van executeur, als ouder belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige erfgenamen (de twee jongste kinderen) en als gevolmachtigde van de meerderjarige erfgenamen zelfstandig bevoegd is tot al hetgeen waartoe zij gevolmachtigd is.
3.7.
Een verklaring van erfrecht heeft enkel dwingende bewijskracht voor de feiten die daarin zijn opgenomen. Ook omdat [gedaagde] in het incident niet betwist dat [eiseres] en de kinderen de erfgenamen van [xxx] zijn, moet van de juistheid van het onder overweging 3.6 genoemde punt 1 van de verklaring van erfrecht worden uitgegaan. Ook van de juistheid van de punten 2 tot en met 5 van hetgeen in overweging 3.6 is weergegeven moet worden uitgegaan. In deze punten is immers weergegeven wat uit de wet of uit de aan de verklaring van erfrecht gehechte bijlagen blijkt. Deze bijlagen zijn overigens niet aan de rechtbank overgelegd.
3.8.
In dit incident is niet gebleken dat [eiseres] als executeur heeft aangetoond dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Een vereffening van de nalatenschap lijkt dan ook op zijn plaats. Omdat de kinderen aan [eiseres] echter een boedelvolmacht hebben gegeven en in deze volmacht geen beperking is aangebracht, kan [eiseres] de erfgenamen in rechte vertegenwoordigen.
3.9.
Twee van de kinderen van [eiseres] zijn nog minderjarig. Als wettelijk vertegenwoordiger kan [eiseres] namens deze kinderen in rechte optreden.
3.10.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
3.11.
In de hoofdzaak is reeds bepaald dat er een mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 11 januari 2022. In de hoofdzaak zal de rechtbank thans dan ook geen verdere beslissing nemen.

4.De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bepalen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
4.2.
Verweerster in voorwaardelijke reconventie heeft de gelegenheid de conclusie van antwoord in reconventie ter mondelinge behandeling te nemen. Verweerster in voorwaardelijke reconventie moet een schriftelijke conclusie uiterlijk 10 dagen voor aanvang van de mondelinge behandeling toezenden. Na de mondelinge behandeling kan deze conclusie niet meer genomen worden.
4.3.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
4.4.
In beginsel wordt ter mondelinge behandeling aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.
4.5.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst het gevorderde af,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 563,00,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
in de hoofdzaak
5.4.
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. A.C. Haverkate in het gerechtsgebouw te Alkmaar aan Kruseman van Eltenweg 2 op
dinsdag 11 januari 2022van
9:30tot
11:00uur,
5.5.
bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,
5.6.
bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen,
binnen twee wekenna de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de afdeling privaatrecht - om een nadere dag - en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op het uitstelverzoek.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 24 november 2021. [1]

Voetnoten

1.type: MKG