ECLI:NL:RBNHO:2021:11057

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 mei 2021
Publicatiedatum
1 december 2021
Zaaknummer
8803716
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WAHVArt. 14 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging boete voor overtreding geslotenverklaring busbrug De Binding

Betrokkene is meerdere keren beboet voor het oprijden van busbrug De Binding, een geslotenverklaring voor bepaalde voertuigen. Hoewel betrokkene betwistte dat zij de borden niet had gezien vanwege onduidelijke bebording, stelde de kantonrechter vast dat de borden goed zichtbaar waren en dat oplettendheid van weggebruikers mag worden verwacht.

De kantonrechter oordeelde dat elke overtreding op verschillende tijdstippen een afzonderlijke boete rechtvaardigt. Echter, gelet op eerdere jurisprudentie leidde de opeenstapeling van boetes tot een onevenredig hoog totaalbedrag, waardoor matiging passend is.

De boete met CJIB-nummer 231086888 wordt gematigd tot 50% van het oorspronkelijke bedrag, namelijk € 70,00, met handhaving van de administratiekosten van € 9,00. Het beroep is daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard. Tevens wordt het teveel betaalde bedrag aan betrokkene terugbetaald.

De uitspraak is gedaan door kantonrechter P.J. Jansen op 4 mei 2021 en kan binnen zes weken worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De boete voor het oprijden van busbrug De Binding wordt gematigd tot 50% van het oorspronkelijke bedrag, namelijk € 70,00.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 8803716 \ WM VERZ 20-796
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 14 mei 2021
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
gemachtigde : N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl te Zoetermeer.

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 mei 2021. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is ook verschenen, tezamen met betrokkene en de partner van betrokkene. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: handelen in strijd met gesloten verklaring in beide richtingen weg(gedeelte) bestemd voor bepaalde categorie voertuigen.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd. Gemachtigde betwist de gedraging niet, zodat deze vaststaat, maar stelt dat betrokkene een reeks aan boetes heeft ontvangen voor de Busbrug en dat, gelet op uitspraken van deze rechtbank, de sanctie voor matiging in aanmerking dient te komen.
Ter zitting stelt betrokkene dat de bebording ter plaatse onduidelijk is. Betrokkene stelt dat zij destijds net in Zaandam woonde en over de busbrug reden om hun dochter naar school te brengen, niet wetende dat dat niet is toegestaan. Betrokkene stelt alle 20 keer dat zij over de busbrug zijn gereden, geen bebording te hebben gezien. Het is een woonwijk waar je totaal geen inrijverbod verwacht, aldus betrokkene. Betrokkene stelt tevens dat zij na ontvangst van de eerste boete er pas achter kwamen dat er aldaar sprake is van een geslotenverklaring.
De kantonrechter stelt voorop dat van weggebruikers oplettendheid op verkeersborden mag worden verwacht. In het kader daarvan is het aan de weggebruiker om diens rijgedrag, waaronder de snelheid, zodanig aan te passen dat verkeersborden niet alleen tijdig worden waargenomen, maar dat ook kennis kan worden genomen van de inhoud daarvan.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de borden voor iedere weggebruiker goed zichtbaar. Dat blijkt voldoende uit de overgelegde schouwrapporten en de daarbij behorende foto’s. Aan het begin van busbrug de Binding is aan beide kanten goed zichtbaar een bord C1 geplaatst, met een duidelijk leesbaar onderbord. Dit bord C1 wordt na ongeveer 100 meter herhaald. Ook is aan beide kanten een bord geplaatst dat erop wijst dat cameratoezicht plaatsvindt. Het is aan de betrokkene om te anticiperen op een naderende verkeerssituatie. Dat er in de onderhavige zaak sprake was van een fuik waaruit ontsnappen onmogelijk was, is niet gebleken. Dit is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat betrokkene de borden niet heeft opgemerkt dient dan ook voor rekening en risico van betrokkene te blijven.
De kantonrechter stelt vast dat aan betrokkene meerdere boetes zijn opgelegd voor het oprijden van Busbrug de Binding. Op zichzelf moeten deze gedragingen worden aangemerkt als aparte en te onderscheiden overtredingen van de geslotenverklaring, waarvoor ook telkens een boete kon worden opgelegd. De gedragingen hebben immers plaatsgevonden op verschillende tijdstippen. De kantonrechter stelt vast dat er thans een uitspraak is gedaan in de zaak met CJIB-nummer: [nummer] , dit beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om proceskosten is afgewezen.
In een uitspraak van 21 oktober 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:9808) heeft de kantonrechter geoordeeld dat een opeenstapeling van boetes voor het overtreden van de geslotenverklaring op de locatie De Binding leidt tot een onevenredig hoog totaalbedrag aan boetes, en dat gelet daarop een matiging van die boetes moet plaatsvinden. Dat betekent in dit geval dat de boete met CJIB nummer 231086888 in stand wordt gelaten, en dat deze boete wordt gematigd tot 50% van het boetebedrag, te weten € 70,00.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van officier van justitie zal worden gewijzigd.
Nu de kantonrechter onderhavige zaak als samenhangend beschouwd met de tien andere ter zitting behandelde zaken, waaronder het dossier met kenmerk 8677769 WM VERZ 20-573, behoeft op het verzoek tot proceskostenvergoeding niet meer te worden beslist.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie, in die zin dat de boete wordt gematigd tot een bedrag van € 70,00 (met handhaving van de administratiekosten ad € 9,00);
‒ bepaalt dat de officier van justitie het te veel betaalde bedrag dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: