Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd wegens parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder een duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart. Betrokkene stelde dat de situatie ter plaatse onduidelijk was en dat het kenteken op het onderbord niet overeenkwam met dat van het voertuig. Ook merkte hij op dat er geen personen aanwezig waren die bij het voertuig hoorden.
De verbalisant verklaarde dat de bebording ter plaatse voldoende duidelijk was. De officier van justitie stelde een wijziging van de feitcode voor, welke zonder nadeel voor betrokkene werd doorgevoerd. De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende grondslag bood en dat betrokkene onvoldoende concrete feiten aanvoerde om daaraan te twijfelen.
De kantonrechter benadrukte dat van iedere weggebruiker mag worden verwacht dat hij oplettend is op aanwezige bebording en zich ervan vergewist of parkeren is toegestaan. De boete werd daarom terecht opgelegd. De kantonrechter vernietigde de beslissing van de officier van justitie voor zover het de feitcode betrof, wijzigde deze en verklaarde het beroep verder ongegrond. Een verzoek tot matiging van de boete werd afgewezen.
Betrokkene klaagde ook over de behandeling door de gemeente, maar dit valt buiten de bevoegdheid van de kantonrechter. Tegen de uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken.