ECLI:NL:RBNHO:2021:11185

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 november 2021
Publicatiedatum
6 december 2021
Zaaknummer
C/15/321864 / HA RK 21/215
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:16 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter afgewezen wegens te late indiening

Verzoekers hebben op 3 november 2021 tijdens een zitting een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken is bij meerdere belastingzaken. Zij stelden dat de rechter vooringenomen is vanwege eerdere uitspraken in soortgelijke zaken en dat het behandelen van 67 zaken op één zitting hun belangen schaadt.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld waarbij alle partijen zijn gehoord. De rechter berustte niet in het verzoek. De kern van de beoordeling betrof de ontvankelijkheid, waarbij de wrakingskamer oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend. De gemachtigde van verzoekers was begin oktober 2021 al op de hoogte van de betrokken rechter en eerdere uitspraken.

Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet een wrakingsverzoek worden ingediend zodra de feiten bekend zijn. Omdat verzoekers dit niet tijdig deden, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats Haarlem
Wrakingskamer
zaaknummer: C/15/321864 HA RK 21-215
Beslissing van 3 november 2021
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker 1], wonende te Edam,
en anderen(zie de bijlage), verzoekers,
gemachtigde: J.A. Klaver,
het verzoek is gericht tegen:
mr. B. van Walderveen,hierna te noemen: de rechter.
20/2090
1
Procesverloop
1.1 Verzoekers hebben op 3 november 2021 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, locatie Haarlem aanhangige zaken met de zaaknummers welke staan vermeld in het overzicht opgenomen in de bijlage (welke onderdeel uitmaakt van deze beslissing). Het overzicht begint bij de zaaknummers HAA 20/2090, 20/2226 en eindigt met de zaaknummers 20/1077 en 20/1104, hierna te noemen: de hoofdzaken.
1.2 De rechter heeft niet berust in de wraking en het verzoek is behandeld op de zitting van de wrakingskamer van 3 november 2021. Verzoekers, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaken zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Namens verzoekers is J.A. Klaver verschenen, namens de wederpartij in de hoofdzaken, de Belastingdienst/ontvanger, zijn verschenen, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . De rechter is verschenen, alsmede H. van Lingen, griffier in de hoofdzaken. De wrakingskamer heeft na de behandeling ter zitting onmiddellijk deze beslissing gegeven.

2.Het standpunt van verzoekers en de rechter

2.1
Verzoekers stellen dat de rechter vooringenomen is omdat hij eerder in soortgelijke zaken betreffende invorderingskosten waarbij de wegingsfactor van de proceskostenvergoeding in geschil was, in het nadeel van belastingplichtigen heeft geoordeeld. Hierdoor is de rechter niet onafhankelijk, noch objectief en mist de rechter het statuur van een rechter door een persoonlijke component. Ter zitting van de wrakingskamer hebben verzoekers daarnaast aangevoerd dat zij het er niet mee eens zijn dat de rechter op één zitting 67 zaken behandelt terwijl er voorheen ongeveer vijf zaken per zitting werden behandeld. De belangen van verzoekers worden daarmee geschaad.
2.2
De rechter heeft verklaard dat hij niet berust in de wraking.

3.De beoordeling

Ontvankelijkheid
3.1
In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan.
3.2
De wetgever heeft via het middel van wraking de partijen in de door de rechter te behandelen zaak de mogelijkheid gegeven de rechter te wraken en daarmee de behandeling van de zaak door die rechter te stuiten, wanneer sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient het wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen bij de verzoeker bekend zijn geworden.
3.3
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers desgevraagd verklaard dat hij de uitnodigingen voor de zitting in alle 67 zaken begin oktober 2021 heeft ontvangen. In deze uitnodigingen staat vermeld dat de rechter de behandelend rechter is. Daarnaast heeft de gemachtigde van verzoekers ter zitting van de wrakingskamer verklaard dat hij toen reeds op de hoogte was van eerdere beslissingenen van de rechter over de toekenning van proceskosten in invorderingszaken waarbij nagenoeg alleen de hoogte van de proceskosten in geschil is. Hij heeft daarbij gesteld dat hij circa vier weken geleden een zitting met de rechter heeft gehad, waarin vergelijkbare geschilpunten aan de orde waren en de rechter hem toen de relevante rechtsregels en de door de gemachtigde bestreden uitleg ook heeft voorgehouden.
3.4
De wrakingskamer is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet is voldaan aan het wettelijk voorschrift van artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat het wrakingsverzoek wordt ingediend zodra de feiten en omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen bij verzoekers bekend zijn geworden. Immers, verzoekers waren begin oktober 2021 op de hoogte van deze feiten en omstandigheden en hebben pas ter zitting op 3 november 2021 hun wrakingsverzoek ingediend. Dat is te laat.
3.5
Gelet hierop zullen verzoekers in hun wrakingsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.Beslissing

De wrakingskamer:
  • verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek;
  • beveelt de griffier onverwijld aan de verzoekers, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;
  • beveelt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. C.A.M. van der Heijden, en mr. L.M. Kos, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van
mr. B. Schaafsma, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2021.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.