De passagiers hebben een vervoersovereenkomst met de vervoerder gesloten voor een vlucht van Amsterdam-Schiphol naar Malaga op 2 juni 2018, die meer dan drie uur vertraging opliep. Zij vorderen compensatie van €800, vermeerderd met wettelijke rente, en buitengerechtelijke incassokosten op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder betoogt dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden, namelijk een opgelegd later tijdslot door de luchtverkeersleiding bij de voorgaande vlucht en een medische noodsituatie tijdens de onderhavige vlucht waarbij meerdere passagiers flauwvielen. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het tijdslot als buitengewone omstandigheid en onvoldoende heeft onderbouwd welk deel van de vertraging aan de medische noodsituatie toe te rekenen is.
Gelet op het Peškova-arrest dient de vertraging die toe te rekenen is aan buitengewone omstandigheden te worden afgetrokken van de totale vertraging. Nu de vervoerder dit niet heeft aangetoond, komt de vertraging voor zijn rekening. De vordering tot compensatie wordt daarom toegewezen. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden grotendeels aan de vervoerder opgelegd.