ECLI:NL:RBNHO:2021:11374

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 december 2021
Publicatiedatum
9 december 2021
Zaaknummer
8676775 \ CV EXPL 20-6315
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 15.2.2 algemene voorwaarden RyanairArt. 56 lid 3 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 14 EG-Betekeningsverordening 1393/2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatievordering passagiers wegens vluchtvertraging door medische noodsituatie afgewezen voor buitengerechtelijke kosten

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst met de vervoerder gesloten voor een vlucht van Amsterdam-Schiphol naar Malaga op 2 juni 2018, die meer dan drie uur vertraging opliep. Zij vorderen compensatie van €800, vermeerderd met wettelijke rente, en buitengerechtelijke incassokosten op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.

De vervoerder betoogt dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden, namelijk een opgelegd later tijdslot door de luchtverkeersleiding bij de voorgaande vlucht en een medische noodsituatie tijdens de onderhavige vlucht waarbij meerdere passagiers flauwvielen. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het tijdslot als buitengewone omstandigheid en onvoldoende heeft onderbouwd welk deel van de vertraging aan de medische noodsituatie toe te rekenen is.

Gelet op het Peškova-arrest dient de vertraging die toe te rekenen is aan buitengewone omstandigheden te worden afgetrokken van de totale vertraging. Nu de vervoerder dit niet heeft aangetoond, komt de vertraging voor zijn rekening. De vordering tot compensatie wordt daarom toegewezen. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden grotendeels aan de vervoerder opgelegd.

Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van €800 compensatie en proceskosten, buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8676775 \ CV EXPL 20-6315
Uitspraakdatum: 1 december 2021
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[passagier sub 1]

2.
[passagier sub 2]
beiden wonende te [woonplaats] (Spanje)
eisers
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigde mr. H. Yildiz (Weiss Legal)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Ryanair Designated Activity Company
gevestigd te Swords Co Dublin
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. A.C.J. Houwers

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 8 mei 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Malaga (Spanje) op 2 juni 2018, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming. De vervoerder is derhalve op grond van de Verordening in beginsel gehouden de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.
4.3.
De vervoerder heeft ter verweer een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. Hij voert aan dat de vlucht is vertraagd omdat het toestel een nieuwe Calculated Take-Off Time (CTOT) opgelegd kreeg van de luchtverkeersleiding bij de uitvoering van de direct voorgaande (rotatie)vlucht. Het toestel is met vertraging aangekomen op de luchthaven waarna de onderhavige vlucht met een ander toestel is uitgevoerd. Deze vertraging werkte door op de onderhavige vlucht. Toen het toestel van de gate mocht vertrekken om de onderhavige vlucht uit te voeren, kreeg het vervolgens te maken met een medische noodsituatie.
4.4.
De vervoerder betoogt dat de voorgaande vlucht een later tijdslot toegewezen kreeg van de luchtverkeersleiding als gevolg van slechte weeromstandigheden, waarna het toestel met een vertraging van 74 minuten te Amsterdam-Schiphol Airport is aangekomen. De vervoerder heeft ter onderbouwing een verklaring van zijn eigen Flight Operations afdeling overgelegd. In deze verklaring is slechts in andere bewoordingen te vinden dat er een later tijdslot zou zijn opgelegd. Er ontbreekt enig bewijs van communicatie vanuit de luchtverkeersleiding, waaruit zou kunnen blijken dat het een specifiek aan het toestel opgelegd besluit betreft. Voor een geslaagd beroep op buitengewone omstandigheden vanwege een opgelegd tijdslot is enkel het aanvoeren dat een tijdslot is opgelegd onvoldoende. Mede gelet op de betwisting van de passagiers had het op de weg van de vervoerder gelegen om te onderbouwen dat het een restrictie betreft, opgelegd door de luchtverkeersleiding, aan het toestel waarmee de vlucht werd uitgevoerd. Dat is hier niet aangetoond. Derhalve faalt het beroep op buitengewone omstandigheden ten aanzien van de vertraging bij de uitvoering van de voorgaande vlucht.
4.5.
Vervolgens zal het beroep op buitengewone omstandigheden ten aanzien van de vertraging bij de uitvoering van de onderhavige vlucht worden beoordeeld. De vervoerder heeft aangevoerd dat de vertraging het gevolg is van een medische noodsituatie. Toen het toestel bezig was met de ‘pushback’ viel een passagier flauw. Het toestel moest terugkeren naar de gate, waar de passagier onderzocht werd door medisch personeel. Tijdens het onderzoek viel een andere passagier flauw die vervolgens ook moest worden onderzocht. Na het onderzoek heeft het medisch personeel aangegeven dat de passagiers in staat waren om te vliegen. Toen het toestel wilde vertrekken viel één van deze passagiers opnieuw flauw. Het toestel moest weer terugkeren naar de gate en tijdens het nieuwe onderzoek viel opnieuw een passagier flauw. De betreffende passagiers hebben vervolgens het toestel verlaten en hun bagage is uit het ruim gehaald, waarna het toestel vertrok naar de eindbestemming. De vervoerder heeft aangevoerd dat het flauwvallen van de passagiers een van buiten komende oorzaak is waarop hij geen invloed kan uitoefenen. De vervoerder heeft ter onderbouwing van dit verweer een rapportage van de cabin crew overgelegd. Uit dit rapport blijkt dat de twee passagiers meerdere malen zijn flauwgevallen. De passagiers betwisten niet dat sprake is van een medische situatie die als buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening kan worden aangemerkt, maar stellen dat niet is aangetoond door de vervoerder dat de vertraging van vier uur op de eindbestemming uit deze omstandigheden volgt en doen daarbij een beroep op het Peškova arrest.
4.6.
Bij een vertraging die niet alleen is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden maar ook door andere omstandigheden, dient de vertraging die valt toe te rekenen aan buitengewone omstandigheden te worden afgetrokken van de totale duur van de aankomstvertraging van de betrokken vlucht (zie de uitspraak van het Hof van 4 mei 2017 inzake Peškova, ECLI:EU:C:2017:342). Gelet hierop dient de totale vertraging te worden verminderd met de tijd die aan de buitengewone omstandigheid te wijten is. Volgens partijen is de vlucht met een vertraging van vier uur uitgevoerd. Niet gebleken is, zoals de passagiers ook stellen, hoeveel tijd hiervan te wijten is aan de medische situatie op de onderhavige vlucht. Eveneens is niet gebleken welk deel van de vertraging is ontstaan vanwege de omstandigheid die reeds als niet buitengewoon is aangemerkt. Gelet op de betwisting van de passagiers had het op de weg van de vervoerder gelegen om omtrent dit punt duidelijkheid te verschaffen. Nu de vervoerder dit heeft nagelaten kan niet worden bepaald welke omstandigheid hoeveel vertraging heeft veroorzaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter dient dit voor rekening van de vervoerder te komen. De vervoerder heeft immers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vertraging grotendeels het gevolg is van buitengewone omstandigheden. De vordering op grond van artikel 7 van Pro de Verordening wordt dan ook te worden toegewezen.
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
4.8.
De vervoerder voert aan dat hij op grond van artikel 15.2.2 van zijn algemene voorwaarden niet gehouden is om de door de passagiers gevorderde proceskosten of buitengerechtelijke kosten te voldoen. Bij beschikkingen van 22 januari 2020 (7573474/ CV FORM 19-2569 en 7526665 CV FORM 19-1756) is geoordeeld dat artikel 15.2 van de algemene voorwaarden van de vervoerder als een oneerlijk beding moet worden aangemerkt. Artikel 15.2 van de algemene voorwaarden van Ryanair is door de kantonrechter vernietigd en dient dan ook buiten toepassing te blijven.
4.9.
De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De passagiers hebben hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.
4.10.
De proceskosten komen, behoudens het navolgende, voor rekening van de vervoerder, omdat deze grotendeels ongelijk krijgt. De passagiers vorderen een bedrag van € 60,50 aan portokosten. Ingevolge artikel 56 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, mag een deurwaarder een afschrift van het te betekenen stuk of een vertaling van het stuk ook rechtstreeks verzenden aan degene voor wie het stuk bestemd is, overeenkomstig artikel 14 van Pro de EG-Betekeningsverordening 1393/2007. Ingevolge artikel 14 van Pro de EG-Betekeningsverordening 1393/2007 kan elke lidstaat de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan in een andere lidstaat verblijvende personen rechtstreeks door postdiensten doen verrichten bij aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of op gelijkwaardige wijze. Niet in geschil is dat de dagvaarding per aangetekende post aan de vervoerder is verzonden. Gelet hierop is de dagvaarding naar het oordeel van de kantonrechter aan de vervoerder betekend in de zin van artikel 56 lid 3 Rv Pro. Aan de dagvaarding zijn geen ontvangstbewijzen van aangetekende verzending gehecht, zodat niet is gebleken wat de kosten daarvan bedragen. De vervoerder heeft deze kosten ook betwist zodat het op de weg van de passagiers had gelegen om dit nader te onderbouwen. De passagiers stellen wel dat extra (porto)kosten zijn verbonden aan betekening in Ierland, maar stellen ten eerste dat deze kosten € 27,50 bedragen en laten ten tweede na de kosten te onderbouwen. Dit deel van gevorderde proceskosten wordt dan ook afgewezen. Voor zover de passagiers vertaalkosten hebben willen vorderen, hetgeen niet volgt uit de dagvaarding dan wel de conclusie van repliek, zijn ook deze kosten niet onderbouwd en zouden deze ook voor afwijzing gereed liggen. Er wordt dan ook voorbijgegaan aan het verweer van de vervoerder (en de reactie daarop van de passagiers) op dit punt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 juni 2018 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 100,89;
griffierecht € 236,00;
salaris gemachtigde € 248,00;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter