De passagier vorderde compensatie van €600 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens een vertraagde vlucht van Amsterdam naar Istanbul, waarbij zij de aansluitende vlucht miste. De vervoerder betwistte het bestaan van een vorderingsrecht en stelde dat de passagier onvoldoende documentatie had verstrekt, waaronder een onvolledig 're-assignment form' zonder handtekening van de cedent.
De kantonrechter oordeelde dat voor een rechtsgeldige cessie vereist is dat de akte door zowel cedent als cessionaris is ondertekend. Omdat dit niet het geval was, beschikte de passagier niet over het vorderingsrecht en werd zij niet-ontvankelijk verklaard. De vervoerder stelde een tegenvordering in wegens materiële schade door rauwe dagvaardingen, maar deze werd afgewezen omdat de juridische kosten al in het liquidatietarief waren begrepen.
De proceskosten werden verdeeld: de passagier werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de vervoerder, terwijl de vervoerder de proceskosten van de passagier moest dragen. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter S.N. Schipper op 24 november 2021 te Haarlem.