Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
26 oktober 2021, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van een zedendelict onherroepelijk is veroordeeld.
7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
€ 5.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
12 (twaalf) maanden.
6 (zes) maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaren.
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
schadevergoedingsmaatregelten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 2.000,- (zegge: tweeduizend euro)en bepaalt dat bij gebreke van betaling gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen. Bepaalt voorts dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.