De rechtbank Noord-Holland heeft op 14 december 2021 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die tussen 5 juli 2020 en 8 juni 2021 op aanzienlijke schaal cocaïne heeft verhandeld. Vanaf januari 2021 stuurde hij één en later twee anderen aan die drugs bezorgden. De verdachte was bereikbaar via een dealertelefoon en leverde dagelijks meerdere keren cocaïne aan een brede kring gebruikers in West-Friesland.
De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte gedurende de gehele periode heeft gehandeld in cocaïne en op 8 juni 2021 ongeveer 11,7 gram cocaïne bij zich had. Bewijs bestond onder meer uit sms-berichten op zijn telefoon, een administratie van openstaande schulden, en verklaringen van afnemers. De verdachte bekende vanaf eind november 2020 te hebben gedeald, maar ontkende handel vóór die datum. De rechtbank verwierp dit en stelde de periode vast vanaf 5 juli 2020.
De rechtbank nam de ernst van de feiten zwaar mee, gezien de maatschappelijke schade door cocaïnehandel en het feit dat de verdachte zich niets aantrok van de gevolgen en alleen oog had voor financieel gewin. Wel nam de rechtbank zijn jeugdige leeftijd en mogelijk beneden gemiddelde intelligentie mee, waardoor hij mogelijk extra beïnvloedbaar is. Daarom legde de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, deelname aan een gedragsinterventie en het zoeken van zinvolle dagbesteding.
Verder werden in beslag genomen goederen, waaronder een gsm, simkaart, jas en contant geld, verbeurd verklaard. De rechtbank wees het verzoek van de verdediging af om de onvoorwaardelijke straf te beperken tot de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht, vanwege de ernst en duur van de handel. De verdachte werd veroordeeld voor het dealen van harddrugs en het bezit van cocaïne, en vrijgesproken van overige tenlasteleggingen.