ECLI:NL:RBNHO:2021:11744

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 december 2021
Publicatiedatum
20 december 2021
Zaaknummer
21/1554
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.33 Verordening Fysiek Domein
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen last onder dwangsom voor verwijderen vaartuig aanmeervoorziening

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer. De last hield in dat eiser zijn vaartuig uiterlijk 3 augustus 2020 moest verwijderen van een locatie, op straffe van een dwangsom van €300 per dag tot een maximum van €1.500. Verweerder had deze dwangsom ook daadwerkelijk ingevorderd.

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke grondslag voor de last onvoldoende is. Verweerder baseerde zich op overtreding van artikel 6.33, derde lid van de Verordening Fysiek Domein, dat het innemen van een ligplaats met een vaartuig dat meer dan 1 meter uitsteekt buiten de steiger of aanmeervoorziening verbiedt. Verweerder stelde dat met aanmeervoorziening één enkele bolder werd bedoeld, maar de rechtbank volgt dit niet omdat het vaartuig aan twee bolders ligt en het totaal aantal bolders bedoeld moet zijn.

Verder is niet vastgesteld dat het vaartuig daadwerkelijk meer dan een meter uitstak buiten het totaal aantal bolders. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en hoeft eiser de dwangsom niet te betalen. Ook wordt verweerder opgedragen het betaalde griffierecht van €181 aan eiser te vergoeden. Een proceskostenvergoeding wordt niet toegekend omdat eiser geen rechtsbijstand had ingeschakeld.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder moet het griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/1554
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder
(gemachtigde: N.J. van den Pol).

Procesverloop

In het besluit van 27 juli 2020 (primair besluit I) heeft verweerder eiser gelast zijn vaartuig uiterlijk 3 augustus 2020 te verwijderen en verwijderd te houden van de locatie aan [locatie] , op straffe van een dwangsom van €300,- per dag tot een maximum van €1.500,-.
In het besluit van 30 oktober 2020 (primair besluit II) heeft verweerder een dwangsom van €1.500,- ingevorderd.
Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
In het besluit van 18 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard, onder verbetering van de wettelijke grondslag en de motivering.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. In het besluit van 27 juli 2020 (primair besluit I) heeft verweerder eiser gelast zijn vaartuig uiterlijk 3 augustus 2020 te verwijderen en verwijderd te houden van de locatie aan [locatie] , op straffe van een dwangsom van €300,- per dag tot een maximum van €1.500,-.
3. In het besluit van 30 oktober 2020 (primair besluit II) heeft verweerder besloten dat eiser op vijf dagen een dwangsom van €300,- heeft verbeurd omdat eiser niet aan de last heeft voldaan en een dwangsom van €1.500,- ingevorderd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.
4. In het besluit van 18 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard, onder verbetering van de wettelijke grondslag en de motivering. Verweerder heeft de wettelijke grondslag gewijzigd in overtreding van artikel 6.33, derde lid van de Verordening Fysiek Domein (Vfd).
5. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende grondslag is voor een last onder dwangsom. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een overtreding van artikel 6.33, derde lid Vfd, waarin is bepaald dat het verboden is een ligplaats in te nemen met een vaartuig dat in de lengte meer dan 1 meter uitsteekt buiten de steiger of aanmeervoorziening. Het standpunt van verweerder dat met aanmeervoorziening in dit geval één enkele bolder wordt bedoeld, volgt de rechtbank niet. Zoals eiser heeft uitgelegd ligt zijn schip zowel aan de voorplecht als aan de achtersteven vast een bolder. Omdat aan één bolder niet valt aan te leggen, kan het niet anders dan dat met aanmeervoorziening in dit geval het totaal aantal bolders wordt bedoeld. Elk schip dat aanmeert zou anders in overtreding zijn. Daargelaten dat in de waarnemingsrapporten niet met tekeningen en foto’s aanschouwelijk is gemaakt wat de exacte situatie is en wat nu de aard van de overtreding is, is niet vast komen te staan dat het vaartuig meer dan een meter uitstak buiten het totaal aantal bolders.
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om het primaire besluit van 27 juli 2020 te herroepen, omdat dit al gebeurd is bij het wijzigen van de grondslag in het bestreden besluit. Het bestreden besluit wordt ook vernietigd ten aanzien van de invordering. Dit betekent dat eiser het bedrag van €1.500,- niet hoeft te betalen.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
8. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding, omdat eiser zich niet bij heeft laten staan door een rechtsbijstandverlener.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2021 door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van Broekhoven, griffier.
griffier
Rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.