De passagiers vorderden compensatie van de vervoerder Corendon Dutch Airlines B.V. vanwege de annulering van een vlucht van Nador Airport naar Amsterdam-Schiphol op 4 september 2017. Zij baseerden hun vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004, die compensatie regelt bij annulering van vluchten.
De vervoerder betwistte de vordering en stelde dat er geen vervoersovereenkomst bestond omdat de vlucht niet bestond en de boekingsbevestigingen door een derde partij, Nuhr, waren uitgegeven zonder medeweten van de vervoerder. De vervoerder voerde aan dat zij slechts capaciteit aan Nuhr had geleverd op basis van een charterovereenkomst, en dat Nuhr tickets had uitgegeven voor een niet bestaande vlucht.
De kantonrechter oordeelde dat de passagiers onvoldoende gemotiveerd hadden betwist dat de vlucht niet bestond. Omdat er geen bestaande vlucht was, kon de vervoerder niet worden aangemerkt als uitvoerende luchtvaartmaatschappij en was de Verordening niet van toepassing. Ook de stelling van de passagiers dat de vervoerder invloed zou hebben op de ticketuitgifte door Nuhr werd verworpen.
De vordering tot compensatie en nevenvorderingen werden afgewezen. De passagiers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter S.N. Schipper op 22 december 2021.