Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De vordering
- € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Rechtbank Noord-Holland
De passagiers hadden een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam naar Moskou met aansluitend een vlucht naar Tokyo. De eerste vlucht had een vertraging van 4 minuten, waarna de passagiers hun aansluitende vlucht misten. AirHelp, die de vordering van de passagiers had overgenomen, vorderde compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder stelde dat de werkelijke overstaptijd in Moskou 1 uur en 11 minuten was, terwijl de minimale overstaptijd 1 uur en 10 minuten bedraagt, en dat de passagiers het missen van de aansluiting aan zichzelf te danken hadden. De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de vertraging van 4 minuten onvoldoende was om het missen van de aansluiting te verklaren.
Verder oordeelde de rechtbank dat de stelling van AirHelp dat sprake was van onrechtmatige instapweigering onvoldoende concreet was onderbouwd. De vordering werd daarom afgewezen en AirHelp werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens gemiste aansluitende vlucht wordt afgewezen omdat de vertraging van 4 minuten onvoldoende was als oorzaak.