Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
Daarnaast acht de officier van justitie bewezen dat de verdachte zich met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen, verspreiden en bezit van kinderpornografisch materiaal.
Ten aanzien van de onder de feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde mensenhandel heeft de raadsman - samengevat - aangevoerd dat [verdachte] inderdaad een aantal van de feitelijke handelingen zoals genoemd in de tenlastelegging heeft verricht. [verdachte] heeft de drie vrouwen geholpen met praktische zaken, waarbij zij de vrouwen op hun eigen verzoek ondersteunde. Het betrof het maken van foto’s voor de seksadvertenties, het geven van uitleg met betrekking tot de prostitutiewerkzaamheden en het onderhouden van contacten met klanten over te maken afspraken en te betalen bedragen. [verdachte] heeft daarbij echter geen gebruik gemaakt van de dwangmiddelen zoals bedoeld in artikel 273f Sr. Er was geen sprake van enige vorm van dwang of manipulatieve dwangmiddelen als misleiding of misbruik van een kwetsbare positie, ook niet als medepleger nu de vereiste wetenschap of het bewustzijn hiervoor ontbreekt. [verdachte] heeft de vrouwen ondersteund in hun prostitutiewerk, in de overtuiging dat zij zelfstandig voor deze werkzaamheden hadden gekozen en deze in vrijheid wilden uitoefenen.
In dezelfde periode dat de voetballers er werden gehuisvest hebben [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met medeweten van [verdachte] en [medeverdachte 1] prostitutiewerkzaamheden verricht in de woning aan de [adres 2] in Nieuw-Vennep, waar zij op dat moment ook woonden. [medeverdachte 1] heeft afspraken gemaakt met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] over het verrichten van prostitutiewerkzaamheden vanuit de woning in Nieuw-Vennep en de afdracht van 50% van hun inkomen daaruit aan hem en [verdachte] . [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben voorts de seksadvertenties opgesteld, geplaatst en beheerd. Ook onderhielden zij contact met (potentiële) klanten. De vrouwen werden op de hoogte gesteld van afspraken met klanten via een groepsapp. De benaming van deze groepsapp is – na een prostitutiecontrole – gewijzigd van Workk naar Basicfit en Basic. Deelnemers aan deze groepsapp waren naast de vrouwen, [medeverdachte 1] en [verdachte] en de in de woning verblijvende voetballers. In de woning waren zowel in de woonkamer als in de beide slaapkamers camera’s aanwezig die door middel van de app Yoosee op afstand door [medeverdachte 1] en [verdachte] konden worden ingeschakeld en uitgekeken. De huur van de woning werd in eerste instantie betaald door [slachtoffer 2] en later door achtereenvolgens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .
de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]). Uit whatsappgesprekken blijkt dat [slachtoffer 1] aan [verdachte] vraagt of ze mag slapen. [verdachte] zegt hierop dat ze nog één klant krijgt. [slachtoffer 1] vraagt ook of ze een dag vrij mag, maar [verdachte] zegt dat ze al een klant heeft geregeld.
De bedoeling van deze zogeheten instructie was dat de vrouwen beter zouden worden in het sekswerk. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de filmpjes aan [verdachte] liet zien, zodat zij de vrouwen kon adviseren wat ze beter moesten doen. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] hebben verklaard dat zij zich er ongemakkelijk bij voelden en dat zij het niet prettig vonden dat zij werden gefilmd. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij niets durfde te zeggen van de camera’s en de filmopnames omdat zij bang was dat [medeverdachte 1] boos zou worden en dat de films tegen haar zouden worden gebruikt. Haar moeder wist immers niet dat zij prostitutiewerk deed en [medeverdachte 1] was daarvan op de hoogte. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouwen door een andere feitelijkheid, te weten de aanwezigheid van de camera’s en het maken van instructiefilmpjes met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , onder druk hebben gestaan om de seksuele handelingen met derden te verrichten.
Uit de verklaringen van aangeefsters, whatsappgesprekken en spraakberichten blijkt dat [medeverdachte 1] - al dan niet samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] - actief prostituees ronselde en dat [verdachte] dat wist. Zodra [slachtoffer 1] door [medeverdachte 1] was benaderd, meldde hij dit aan [verdachte] : “Ik heb er weer één”. [slachtoffer 2] is via [medeverdachte 2] geworven en vervolgens met [medeverdachte 1] en [verdachte] in contact gebracht. Toen [slachtoffer 1] op 7 augustus 2017 liet weten dat ze met het werk wilde stoppen, appte [medeverdachte 1] dat hij dan een ander meisje zou neerzetten en dat er voor [slachtoffer 1] dan geen weg meer terug was. Op de dag dat [slachtoffer 1] uit de woning vertrok, is [slachtoffer 3] in de woning gekomen. Ook uit andere whatsappgesprekken tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] (‘er is een nieuwe kip waar foto’s van gemaakt moeten worden’) blijkt dat [medeverdachte 1] actief op zoek was naar nieuwe prostituees en dat [verdachte] daar wetenschap van had. [verdachte] wist eveneens dat de vrouwen werden gehuisvest in de woning in Nieuw-Vennep en in de groepsapp werd het vervoer van de vrouwen naar voorkomende escortafspraken geregeld. Daarnaast is er een whatsappgesprek waaruit volgt dat het de bedoeling was om [slachtoffer 2] in Den Haag haar prostitutiewerkzaamheden te laten uitvoeren, zodat er een nieuwe prostituee ( [naam] ) in Nieuw-Vennep kon komen werken. Volgens [slachtoffer 2] regelde [verdachte] de klanten voor Den Haag.
de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]) en [voornaam slachtoffer 2] (
de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2]) kunnen halen. Ook een nota van gemeentebelastingen (WOZ) van 400 euro moet bij de meiden worden gehaald. [verdachte] zegt dat de aanslag in termijnen kan worden betaald, maar dat ze het van hun (dus [voornaam slachtoffer 2] ) niet in termijnen wil.
bijlage IIbij dit vonnis zijn vervat.
bijlage IIIis weergegeven.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sanctie
.
Op grond van artikel 28 lid 1 Sr Pro kan een verdachte worden ontzet uit het recht bepaalde beroepen uit te oefenen. Die mogelijkheid bestaat in bij wet bepaalde gevallen en indien een strafbaar feit is begaan in uitoefening van dat beroep. Deze ontzetting dient betrekking te hebben op de uitoefening van het beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbare feit/de strafbare feiten is/zijn begaan. Mede in het licht van wetsgeschiedenis van genoemd artikel kan ontzetting van het recht bepaalde beroepen uit te oefenen zich ook uitstrekken tot beroepsuitoefening als overeenkomstig rechtspersonenrecht benoemd bestuurder van rechtspersoon.
7.Beslissing omtrent een in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp
8.Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] en schadevergoedingsmaatregel
9.Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] en schadevergoedingsmaatregel
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Beslissing
24 MAANDEN.
[slachtoffer 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 18.650,-, bestaande uit € 8.650,- als vergoeding voor de materiële en € 10.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[slachtoffer 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 50.562,54, bestaande uit € 38.062,54 als vergoeding voor de materiële en € 12.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.