De passagiers sloten een vervoersovereenkomst voor een vlucht van Amsterdam via Dubai naar Shanghai in juni 2016. Door een vertraging op de eerste vlucht misten zij hun aansluitende vlucht en kwamen met meer dan drie uur vertraging aan op de eindbestemming. Zij vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk een onverwachte harde tailwind die leidde tot een overspeed van het vliegtuig, waardoor een verplichte veiligheidsinspectie moest plaatsvinden. Dit veroorzaakte de vertraging.
De kantonrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de vervoerder voldoende heeft onderbouwd dat sprake was van buitengewone omstandigheden. De inspectie is volgens jurisprudentie een geldige reden voor vrijstelling van compensatie. Ook is de vervoerder niet tekortgeschoten in het nemen van redelijke maatregelen om de vertraging te beperken.
De vordering tot compensatie en bijkomende kosten wordt daarom afgewezen. De passagiers worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.