ECLI:NL:RBNHO:2021:12195

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 november 2021
Publicatiedatum
29 december 2021
Zaaknummer
C/15/322346 / HA RK 21/222
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wrakingsprotocol rechtbankArt. 8:16 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid en wrakingsverbod bij herhaald wrakingsverzoek tegen rechter in bestuursrechtelijke hoofdzaak

Verzoekster heeft op 18 november 2021 mondeling wraking gevraagd van de rechter die betrokken is bij meerdere bestuursrechtelijke hoofdzaken tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik. Zij stelde dat de rechter onrechtmatig handelde door bepaalde ambtenaren als vertegenwoordigers van het college toe te laten, terwijl deze volgens haar niet bevoegd zijn.

De rechter heeft dit wrakingsverzoek niet ingewilligd. De wrakingskamer heeft het verzoek buiten zitting beoordeeld en vastgesteld dat een eerder wrakingsverzoek tegen dezelfde rechter reeds op 20 juli 2021 was afgewezen. Omdat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die na het eerdere verzoek bekend waren geworden, werd het verzoek niet in behandeling genomen en als niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast heeft de wrakingskamer een wrakingsverbod opgelegd aan verzoekster wegens misbruik van het wrakingsrecht. Dit betekent dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster tegen dezelfde rechter in de hoofdzaak niet zal worden behandeld. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard en er werd een wrakingsverbod opgelegd wegens misbruik van het wrakingsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C/15/322346 HA RK 21/222
beslissing van 30 november 2021
op het verzoek tot wraking ingediend door
[verzoekster],
wonende te Zwaagdijk,
hierna: verzoekster.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. M. Kraefft,
hierna: de rechter.

1.Procesverloop

1.1
Verzoekster heeft ter zitting van 18 november 2021 mondeling de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Bestuursrecht Algemeen/VK aanhangige zaken HAA 20/4144, HAA 20/5397, HAA 20/5667 en HAA 20/5398, hierna te noemen: de hoofdzaken, waarin het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik de wederpartij is.
1.2
De rechter heeft niet in de wraking berust.
1.3
De wrakingskamer doet het verzoek op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder f, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank, buiten zitting af.

2.Het standpunt van verzoekster

2.1
Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter wederom de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] in rechte heeft toegelaten in de hoedanigheid van de vertegenwoordigers namens het college van burgemeesters en wethouders (hierna: het college) van de gemeente Medemblik, terwijl volgens haar al sinds een half jaar bekend is dat deze ambtenaren niet bevoegd zijn in rechte namens het college op te treden. Verzoekster heeft dit ook aan haar vorige wrakingsverzoek te grondslag gelegd, maar op de zitting van 18 november 2021 werd verzoekster voor een voldongen feit gesteld, nu deze ambtenaren door de rechter direct werden aangemerkt als de vertegenwoordigers in rechte namens het college. Omdat deze ambtenaren volgens verzoekster volledig buiten het zicht van het college en de burgemeester opereren, in de ogen van verzoekster samenwerken met vastgoedfraudeurs en alleen maar ten nadele van verzoekster zouden handelen, kan verzoekster het handelen van de rechter niet anders zien dan dat hij het onrechtmatige handelen van deze ambtenaren faciliteert. Verzoekster stelt dat de rechter geen bevoegde integere ambtenaren bij de behandeling van de hoofdzaak wil hebben.

3.De reactie van de rechter

3.1
De rechter heeft op 22 november 2021 een schriftelijke reactie gegeven op het wrakingsverzoek van verzoekster.

4.De beoordeling

4.1
Op 20 juli 2021 (zaak-/rekestnummer: C/15/317584 HA RK 21/112) heeft de rechtbank op een eerder wrakingsverzoek van verzoekster in dezelfde zaken gericht tegen de rechter (afwijzend) beslist.
4.2
Op grond van artikel 8:16, vierde lid, Awb [1] , wordt een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. Van dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden is geen sprake. Ook aan het vorige wrakingsverzoek lag immers ten grondslag dat de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] volgens verzoekster niet bevoegd zijn om namens het college op te treden en dat de rechter daarover een onjuiste (proces)beslissing zou hebben genomen. De wrakingskamer neemt het verzoek daarom niet in behandeling en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
4.2
De wrakingskamer ziet voorts aanleiding om verzoekster een wrakingsverbod op te leggen op grond van artikel 8:18, vierde lid, Awb, omdat gebleken is van misbruik van het rechtsmiddel wraking. Dit volgt reeds uit het onderhavige wrakingsverzoek, dat een kansloos verzoek betreft. Dit brengt mee dat de rechter in de hoofdzaak een volgend verzoek om wraking buiten behandeling kan laten.
Beslissing
De wrakingskamer:
  • verklaart het verzoek tot wraking van de rechter niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen;
  • beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;
  • beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gedaan door mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. E.B. de Vries – van den Heuvel, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Gall, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2021.
griffier voorzitter
afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.