Eiser stelde dat het besluit tot zijn ontslag als bestuurder van de hoofd-VvE op 27 juni 2019 nietig was, omdat het quorum niet was behaald en de onder-VvE's niet bevoegd waren om rechtstreeks te stemmen. De rechtbank stelde vast dat het besluit van 27 juni 2019 inderdaad nietig was vanwege strijd met het splitsingsreglement en het ontbreken van een voorafgaand besluit van de onder-VvE's.
De rechtbank oordeelde echter dat het ontslagbesluit op 31 juli 2019 rechtsgeldig tot stand was gekomen, omdat toen wel aan het quorumvereiste was voldaan en de onder-VvE's geldige besluiten hadden genomen. Eiser was daardoor vanaf die datum geen bestuurder meer.
Eiser vorderde betaling van achterstallige bestuursvergoeding vanaf 31 juli 2019, maar de rechtbank wees dit af omdat hij vanaf die datum geen bestuurder meer was en dus geen recht had op vergoeding. Ook de subsidiaire vorderingen tot herbenoeming en maandelijkse betaling werden afgewezen. De proceskosten werden aan eiser opgelegd.