Eiser was sinds 2007 werkzaam bij de Belastingdienst en kreeg in 2019 een voorwaardelijk strafontslag opgelegd vanwege plichtsverzuim door herhaald loonbeslag. Ondanks meerdere gesprekken en inzet van een budgetcoach bleef eiser financiële problemen houden. Na nieuwe loonbeslagen in juli en augustus 2019 legde verweerder het voorwaardelijk ontslag ten uitvoer.
Eiser voerde aan dat verweerder al vóór het voorwaardelijk ontslag op de hoogte was van zijn financiële situatie en dat de loonbeslagen voortvloeiden uit oude schulden. Tevens kon hij geen betalingsregeling treffen vanwege een structureel tekort. De rechtbank oordeelde dat eiser deze schulden en de kans op nieuwe loonbeslagen tijdig had gemeld en dat verweerder hiervan op de hoogte was.
Hoewel het plichtsverzuim vaststaat, rechtvaardigt dit niet de tenuitvoerlegging van het ontslag omdat eiser geen reële laatste kans tot gedragsverandering is geboden. Het plichtsverzuim begon vóór het voorwaardelijk ontslag en kon niet worden doorbroken door de financiële situatie. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat verweerder binnen zes weken opnieuw beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot proceskostenvergoeding.