Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2021:12450

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 november 2021
Publicatiedatum
12 januari 2022
Zaaknummer
9467678 WM
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WAHVArt. 9 WAHVArt. 14 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen boete voor vasthouden mobiel tijdens rijden

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. Betrokkene stelde dat de boete ten onrechte aan hem als kentekenhouder werd opgelegd, omdat geen staandehouding had plaatsgevonden. De verbalisant kon geen staandehouding verrichten vanwege Covid-19 voorzorgsmaatregelen en het ontbreken van een stoptransparant op het dienstvoertuig.

De kantonrechter oordeelde dat ondanks de coronamaatregelen een staandehouding in de buitenlucht met passende voorzorgsmaatregelen mogelijk is. Echter, in dit specifieke geval was er geen reële mogelijkheid tot staandehouding, waardoor de sanctie terecht aan betrokkene als kentekenhouder werd opgelegd volgens artikel 5 van Pro de WAHV.

De kantonrechter verwierp het verweer dat de vraagstelling van de officier van justitie suggestief was en achtte de verklaring van de verbalisant geloofwaardig. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 9467678 \ WM VERZ 21-509
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 19 november 2021
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
gemachtigde : Appjection B.V. (mr. M. Lagas)

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 12 november 2021. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De gemachtigde van betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd. Betrokkene ontkent dat de gedraging naar aanleiding waarvan de boete is opgelegd, is verricht.
Als zich een reële mogelijkheid heeft voorgedaan tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig waarmee de geconstateerde overtreding is verricht, moet de boete aan die bestuurder worden opgelegd. De boete mag in dat geval niet aan de kentekenhouder van het voertuig worden opgelegd. Blijkens de stukken heeft in dit geval geen staandehouding plaatsgevonden. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt dat geen staandehouding is uitgevoerd vanwege de voorzorgsmaatregelen die beschreven staan in de ‘Werkinstructie verkeershandhaving in verband met het Coronavirus’.
De kantonrechter overweegt dat de verbalisant kennelijk in lijn met zijn/haar interne werkinstructie heeft geoordeeld dat ten gevolge van Covid-19 geen reële mogelijkheid meer bestaat tot staandehouding. Dit kan in algemene zin echter niet worden aangenomen. Het moet er voor worden gehouden dat een staandehouding in de buitenlucht met behulp van passende voorzorgsmaatregelen kan plaatsvinden in lijn met de RIVM-adviezen. Dit laat onverlet dat in een concreet geval een staandehouding in relatie tot het Covid-19 virus niet verantwoord kan zijn. De verbalisant beroept zich op de ‘werkinstructie verkeershandhaving in verband met coronavirus’, terwijl deze geldig was tot 1 juli 2020 en de datum van de vermeende gedraging 8 oktober 2020 was.
De officier van justitie heeft een nadere reactie opgevraagd bij de verbalisant. In deze aanvullende reactie, opgemaakt op ambtseed, is het volgende vermeld:
“Naast het aangegeven handelingskader omtrent covid-19 geen staandehouding mogelijk in verband met onopvallend dienstvoertuig niet voorzien van een stoptransparant.”
De ambtenaar heeft verklaard dat hij geen staandehouding heeft kunnen verrichten omdat hij reed in een onopvallend dienstvoertuig dat niet was voorzien van stoptransparant. Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Aldus is de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Tevens voert gemachtigde aan dat de formulering van de vraagstelling suggestief is en verwijst hiervoor naar de uitspraak in de zaak van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem onder nummer: 9212995. Gemachtigde verzoekt de kantonrechter om conform deze uitspraak te beslissen. De kantonrechter volgt dit verweer niet. Dat de formulering van de vraagstelling van de officier van justitie suggestief zou zijn, zoals gemachtigde stelt, maakt niet dat niet van de aanvullende verklaring van de verbalisant mag worden uitgegaan is althans onvoldoende om de ambtsedige verklaring van de ambtenaar (hoofdagent van politie) als ongeloofwaardig ter zijde te stellen. De uitspraak waar gemachtigde naar verwijst maakt dit oordeel niet anders.
Nu het beroep ongegrond wordt verklaard ziet de kantonrechter geen aanleiding om proceskosten toe te kennen.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond;
‒ wijst het verzoek op vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Voogd, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: